Daniël Lohues liedjesschrijver

‘Als kind viel ik in slaap met Bach. Mijn vader was organist en draaide Bach-lp’s. De B-kanten kende ik veel slechter, vaak was ik al in slaap gevallen als hij de plaat omdraaide. Op zondagen gingen we orgels luisteren in Duitsland of Groningen. Bach maakte zo geweldig goed gebruik van het orgel, daarom vind ik het jammer dat veel mensen daar zo’n afkeer van hebben. Het was het instrument dat hij het beste beheerste. Het Preludium en fuga in b-klein (BWV 544) vind ik misschien wel het allermooist. Wat daar gebeurt in die pedalen… Het komt heel dichtbij me. Ik ken veel BWV-nummers (Bach-Werke-Verzeichnis) uit mijn hoofd. Wat me dan opvalt, is dat de vroege werken al net zo goed zijn als de late. Zelfs in Bachs meest theoretische composities, zoals Die Kunst der Fuge, blijft de muziek vol mooiigheid.”