Congolezen hebben de keuze: dader of slachtoffer worden

reist met Artsen zonder Grenzen naar Congo. Vorige week bezocht hij de hel van de vluchtelingen, vandaag in het slot deze reportage spreekt hij de hulpverleners. „We moeten ook even ontspannen.”

Arnon Grunberg op reportage in een het kamp Bibwe in Congo.
Arnon Grunberg op reportage in een het kamp Bibwe in Congo. Foto Sandra Smiley

In een provisorische hut zonder wanden – er is een dak dat bescherming biedt tegen regen en zon – geeft Catherine, een arts uit Londen, een presentatie voor de expats van MSF (Médecins Sans Frontières, oftewel Artsen Zonder Grenzen) en de local staff in Mweso, een stad in Oost-Congo. Ik zal ongeveer twee weken met AzG in Mweso verblijven, ik leef en woon in hun compound en de bedoeling is ook dat ik af en toe meehelp. Klusjes, voor zover ik daartoe bevoegd ben. Veel verder dan het wassen van lakens in het ziekenhuis, wat uiteraard met de hand wordt gedaan, zal ik niet komen.

Als de discussie na afloop te specifiek wordt sluit Djoen de bijeenkomst af. Hij is hier de Project Coordinator, oftewel PC. Djoen is een Nederlander, maar zijn ouders hebben hem een Chinese naam gegeven. Hij is eind twintig en moet hier mensen in het gareel houden die soms tientallen jaren ouder zijn dan hij. „Het is een eenzame baan”, zegt hij. In Groningen heeft hij psychologie gestudeerd. Hiervoor zat Djoen onder andere voor AzG in Haïti, maar dat was nog zwaarder. In Congo biedt het werk variatie, op Haïti was er alleen maar cholera, en nog meer cholera. De veiligheidssituatie was daar ook van dien aard dat je als expat nauwelijks bewegingsvrijheid had. Op Haïti is Djoens hart bovendien gebroken door een Française.

Op zondagen belt Djoen met zijn moeder. „Maar ik vertel niet alles,” zegt hij, „dat heeft geen zin.” Ik denk aan de militairen, die zeiden hetzelfde.

Djoen heeft iets liefs, een zekere kwetsbaarheid die contrasteert met de functie die hij hier moet vervullen. Ook lijkt hij verdwaald te zijn, al geldt dat denk ik voor de meeste expats hier, een stuk of tien, inclusief mijzelf; we zijn allemaal een beetje verdwaald. Uit Canada komen we, Duitsland, de Verenigde Staten, Colombia, Spanje, Tsjaad, Nederland en Italië. De Canadezen en de Duitsers zijn in de meerderheid, leeftijden lopen uiteen van eind twintig tot begin zestig.

Als humanitaire hulpverleners ben je er om, in ons geval, de Congolezen te helpen. Maar de waarheid is dat de Congolezen er ook zijn om de hulpverleners te helpen. Zij geven ons leven zin, zij zorgen voor het avontuur. Een crisisgebied heeft zo zijn aantrekkelijke kanten, of zoals Jean, een verpleegster uit de Verenigde Staten tegen me zal zeggen: „Het is hier niet saai.”

Op zondag kijkt Djoen samen met enkele andere expats naar de tv-serie Game of Thrones, acht tot tien uur achter elkaar. „Je moet ontspannen”, zegt hij.

Zaterdag wordt er gevoetbald met kinderen uit de omgeving op een knollenveld. Als het niet regent. Als het regent stopt alles, inclusief het voetbal en de gevechten tussen de verschillende milities. Een medewerker van AzG heeft mij verteld dat het regeringsleger niet veel beter en misschien zelfs wel erger is dan de verschillende milities die zij hebben verdreven.

Touwtje springen

Ik ben ondergebracht in wat de medewerkers een ‘schoenendoos’ noemen. Een bed met een muskietennet, meer heb je niet nodig als gast. De expats die hier vaak negen maanden verblijven hebben kamers die niet veel groter zijn.

Naast mijn schoenendoos komt elke middag om een uur of zes José touwtje springen. Hij is een dokter en chirurg uit Spanje, geboren en woonachtig op de Canarische Eilanden, in Afrika leerde hij opereren. José heeft al bijna dertig missies voor AzG gedaan. Hij wil niet anders meer, het is verslavend. Als hij geen touwtje springt, leest hij het nieuws op zijn telefoon. Het internet hier is traag, maar de expat is geduldig.

Douchen doe je met behulp van emmers. Er zijn wc’s – wat gezien de latrines die ik in het ziekenhuis heb gezien een grote luxe is – waarbij je handmatig de wc moet doorspoelen.

Op een avond zegt Christina, een jonge vroedvrouw uit het Franstalige gedeelte van Canada: „In het begin toen ik hier net was gooide ik de ene emmer na de andere in de pot en het zat er nog steeds. Ik werd er wanhopig van.”

„Je moet de emmer strategisch leeggooien”, licht Catherine, de arts uit Londen, toe. „Je moet het zo doen dat de straal kracht krijgt.”

Christina is bijna klaar in Mweso. Het was haar eerste missie. Ze weet nog niet of ze weer voor AzG gaat werken. Eerst gaat ze een jaar lang als vroedvrouw in het noorden van de provincie Quebec werken, waar de inheemse bevolking woont. Christina’s vader was predikant maar op een gegeven moment zei zijn vrouw dat hij moest kiezen tussen haar en de kerk en toen koos hij voor zijn vrouw.

Ik vraag aan Christina hoe ze in Congo is beland. „God heeft me hier gebracht”, zegt ze, liggend op de bank, terwijl Catherine Christina’s blote voeten masseert. „Ik zei tegen God: ‘God, als het uw bedoeling is dat ik voor Artsen zonder Grenzen ga werken, doe dan de deur voor me open.’ En hij heeft de deur opengedaan.”

Wel voegt ze eraan toe dat ze het jammer vindt dat ze weinig als vroedvrouw kon werken en zoveel managementtaken moest verrichten. Ook klaagt ze dat er slecht wordt geluisterd. Zo was er bijvoorbeeld een Congolese dokter met wie ze samenwerkte die een keer een vrouw had geslagen omdat ze niet snel genoeg beviel. Christina heeft wel honderd keer tegen hem gezegd dat het niet goed is om patiënten zo te behandelen, maar er werd niet geluisterd. Volgens AzG was er slechts sprake van een incident, maar Christina’s verhaal wekt een andere indruk. Later zal een medewerkster van AzG in Goma dit verhaal bevestigen en eraan toevoegen dat de arts in kwestie inmiddels is overgeplaatst omdat hij zijn werk niet goed deed.

Christina pakt een gitaar. Er zijn bijna geen expats meer op de veranda, die dienst doet als woonkamer. „Stay strong, help is on its way”, zingt ze.

„Kun je ook iets van Leonard Cohen voor me zingen?” vraag ik.

„Nee”, zegt ze. „Ik houd niet van Leonard Cohen. Hij is me te somber.”

Ze gaat naar bed. Men gaat hier vroeg slapen.

Misschien moet ik de overtuiging dat ik alle deuren zelf heb ingetrapt achter me laten. Het wordt tijd net als Christina te denken: God opent deuren, en soms doet Hij ze ook weer dicht.

Nachtclub

Ik blijf niet in Mweso. De volgende bestemming is Mpati, waar Djoen, ik en nog twee andere expats twee dagen zullen logeren. Nog hoger de bergen in, Mpati is een echte outpost.

Richting Mpati wordt de weg steeds slechter. Het is maar vijftig kilometer van Mweso, maar we doen er ongeveer zes uur over. Onderweg komen we een groepje van vijfentwintig man tegen die een gewonde op een draagbaar naar het ziekenhuis in Mweso brengen. Hij heeft een kogelwond, opgelopen tijdens een ruzie met een buurman.

Jeeps zijn hier niet meer, brommers nauwelijks. Iets wat op een grote houten step lijkt en eruit ziet als speelgoed van een eeuw of wat geleden wordt gebruikt om hout mee te vervoeren.

In Mpati is geen elektriciteit, laat staan internet of mobiel bereik. Mpati bestaat voornamelijk uit een enorm vluchtelingenkamp.

In de namiddag betreden we het kamp, dat overigens nog steeds uitdijt.

Ik word aangemoedigd om met de vluchtelingen te spreken. Het voelt alsof ik voor het bulletin van de Wehrmacht schrijf als ik vraag: „Hoe is de behandeling in het kamp? Is alles naar wens?”

De meeste vluchtelingen zijn hier al jaren, maar ze willen niet naar huis, want daar is het onveiliger. Omdat ze hier niet vandaan komen hebben ze vaak geen grond om gewassen op te verbouwen waardoor voedseltekorten nijpend zijn. Het World Food Programme komt hier onder andere uit veiligheidsoverwegingen niet.

Op een gegeven moment zie ik één hut in het kamp met een zonnepaneel op het dak. Het blijkt de nachtclub te zijn waar zelfgebrouwde drank wordt verkocht en vrouwen hun lichamen aanbieden. Er schijnt nog een ander groter bordeel te zijn is, vlakbij de basis van MONUSCO, de vredesoperatie van de VN.

„Mag ik even in de nachtclub kijken?” vraag ik.

In de nachtclub ligt een baby op een bed te slapen.

We lopen langs een winkeltje, een provisorisch stalletje waar voornamelijk niet-eetbare producten worden aangeboden zoals zeeppoeder. Een vrouw die bij het stalletje staat, zegt dat ze alleen maar even op de spullen past en niet weet hoeveel alles kost.

De ochtend voor het vertrek uit Mpati bezoek ik nog een workshop voor vrouwen uit het kamp over seksueel geweld. De workshop wordt verzorgd door Isabel, een expat uit Colombia, en haar medewerkster uit Congo die alles vertaalt in het Kinyarwanda.

Hoewel de bevolking vrijwel uitsluitend christelijk is, is polygamie eerder regel dan uitzondering. Ook is het geaccepteerd dat mannen hun vrouwen slaan en verkrachting is aan de orde van de dag. Seksuele activiteit begint gemiddeld op het tiende levensjaar, vertelde een verpleegster me. Homoseksualiteit bestaat officieel niet in Congo, althans niet in dit gedeelte, maar de gedachte dat vrouwen mannen verkrachten is wijdverspreid.

Een paar dagen later zit ik alweer in Goma, in restaurant Le Chalet om precies te zijn, een aangenaam restaurant waar je voor twaalf dollar zoveel kunt eten als je wilt. De cocktails zijn er heerlijk, vooral eentje die Lava heet, vanwege de vulkaan bij Goma.

De expats, werkzaam voor diverse ngo’s en de VN, maken een uitgelaten indruk. Ik heb hier geen moreel oordeel over. Of je het je laat smaken in Amsterdam of in Goma maakt filosofisch gezien weinig uit. En zoals de Nederlandse verpleegkundige Corrie die voor AzG in Goma werkt terecht zegt: „We moeten ook even ontspannen.”

Het schijnt dat je een luxe appartement in Le Chalet kunt huren voor 1500 dollar per maand. Misschien moet ik dat gaan doen, het is een wereld waarover ik nog wat kan schrijven: de expats in Congo. Bij het vluchtelingenkamp schoot me weinig te binnen. Het zou het beste zijn als ik daar een tijdje ga wonen – niet meer schrijven vanuit het perspectief van de hulpverlener, zelf Internally Displaced Person worden – maar de kans lijkt me reëel dat ik dat niet overleef.

Degene die mij Amsterdam voorlichtte over de Congolezen in dit gedeelte van Congo zei: „Ze hebben geen keuze: ze kunnen dader worden of slachtoffer.” Daarbij moest ik denken aan de uitspraak die vaak wordt toegeschreven aan Mae West: „I’ve been rich and I’ve been poor. Believe me, rich is better.”

Genietend van mijn cocktail in Le Chalet concludeer ik: vernietigen is beter dan vernietigd worden.