Burger, help ons besturen

Overal in het land proberen gemeenten burgers bij het lokale bestuur te betrekken. Maar als dat lukt, hebben ze dan ook écht wat te zeggen?

Collegeakkoord in ruim 70 procent van de gemeenten
Collegeakkoord in ruim 70 procent van de gemeenten

Stadsgesprekken, inspraakrondes, beknopte beleidsakkoorden en een lege paragraaf in het coalitieakkoord voor burgers. De lokale democratie reikt tegenwoordig verder dan de raadszaal. Er wordt bijna geen college meer gevormd waarbij burgers niét mogen meepraten en meedenken over het coalitieakkoord.

Het contrast met vroeger is groot. Toen zochten politici ‘de burger’ alleen in campagnetijd op. Maar zodra de nieuwe gemeenteraad eenmaal was gekozen, doken ze de achterkamers van het stadhuis weer in. De kiezer koos en het bestuur bestuurde.

Dit model is op zijn retour. Steeds meer politici willen de burger een plek geven bij de besluitvorming. En ze verwachten ook dat burgers en bedrijven meer verantwoordelijkheid nemen.

„Burgerparticipatie bij collegevorming is heel hot”, zegt Frank Hendriks, hoogleraar vergelijkende bestuurskunde in Tilburg. „Het is niet nieuw, maar we zien nu wel een bijzondere opleving. In de jaren negentig heette het interactief beleid. De gedachte was: wij als gemeente maken plannen en vinden het leuk als u, burger, meepraat.” Inmiddels zeggen veel gemeenten dit te willen omdraaien. „Sommige zeggen expliciet: wij doen met de burgers mee in plaats van andersom. Dat past in de overgang van burger- naar overheidsparticipatie”, aldus Hendriks.

De brede aandacht voor burgerparticipatie en bestuurlijke vernieuwing wordt al snel in verband gebracht met D66, die na de winst bij de raadsverkiezingen in veel gemeenten het voortouw heeft genomen bij de collegevorming. Maar, zegt Hendriks: „Dit is niet specifiek een D66-ding. Je ziet het ook bij lokale partijen en bij veel GroenLinks- en PvdA-wethouders.”

Snuffelen

Inspraak moet je faciliteren. In Utrecht werd onlangs een groot ‘stadsgesprek’ gehouden, waar vierhonderd inwoners hun ideeën deelden. In Leidschendam-Voorburg konden inwoners vorige week onderwerpen aandragen die zij belangrijk vonden. In Amsterdam komt in het coalitieakkoord een lege paragraaf, die het college samen met bewoners gaat invullen. Verder houden veel gemeenten, van Nijmegen tot aan Delft, klassieke inspraakavonden.

Gemeenten experimenteren volop, maar de instituties zijn taai, waarschuwt Hendriks. „Tijdens collegeonderhandelingen snuffelen politieke partijen nog altijd aan elkaar in de besloten kring in het stadhuis. Dat is nu niet ineens opengebroken.”

In Zoetermeer mogen inwoners reageren op het onlangs gesloten akkoord tussen D66, Lijst Hilbrand Nawijn, VVD en PvdA. Alle reacties worden ‘gewogen’ en voor zover mogelijk verwerkt in het eindprogramma, belooft D66, de grootste partij in Zoetermeer. „Dit hebben we nog nooit eerder gedaan”, zegt fractievoorzitter Robin Paalvast. „We vragen inwoners niet alleen nu naar hun mening, maar blijven dat doen. In een vroeg stadium, zodat mensen niet het idee hebben: de gemeente heeft haar keuze allang gemaakt.”

Dat is volgens Paalvast meteen de grootste uitdaging. „Je kwetsbaar opstellen en eerst de burger vragen waar die tegenaan loopt. Niet in die reflex schieten van eerst zelf iets op papier zetten, want dan is het al in beton gegoten.” In vaste inspraakavonden op het stadhuis heeft Paalvast geen trek. „Dat is echt niet meer van deze tijd.” Liever bereikt hij mensen via Facebook of een andere keer via businessclubs – afhankelijk van onderwerp en doelgroep. „Ruimte maken voor inspraak is een houding die je als stad moet hebben. Laten we dat alsjeblieft niet gaan institutionaliseren.”

Worst voorhouden

Inspraak van burgers is mooi, maar hoe zorg je dat het gaat werken? Volgens Paalvast valt of staat alles met vertrouwen. „We leggen de plannen voor, staan open voor signalen uit de samenleving en maken vervolgens duidelijk hoe we tot het besluit zijn gekomen.” Verwachtingenmanagement is daarbij belangrijk: „Als het niet kan, moet je daar eerlijk over zijn. Je moet burgers geen worst voorhouden en zeggen dat je het later doet, terwijl het niet haalbaar is.”

„In de jaren 90 was een veelgehoorde klacht dat de raad niet meewilde en niet meeging in de richting van ‘interactief’ beleid”, zegt Hendriks. „Het waren toen vooral ambtenaren die vroeg draagvlak voor beleid gingen zoeken. Nu zie je dat sommige fracties wel een knop willen omzetten. Het risico is wel dat ze tegen dezelfde dingen aanlopen: praatcircussen die op het moment zelf veel energie en ideeën losmaken, maar ook veel verwachtingen die maar beperkt kunnen worden waargemaakt.”

„Inspraak schept verwachtingen”, beaamt Jan Ravesteijn, ex-GroenLinks-raadslid en betrokken bij het Utrechtse stadsgesprek. „Je moet meteen duidelijk maken: wat ligt binnen de mogelijkheden en wat niet?”

Hoe meer verantwoordelijkheid burgers zelf nemen, hoe kleiner de rol van de overheid. Gemeenten moeten daaraan wennen, zegt Hendriks. „Als overheid heb je verantwoordelijkheden. Je kunt niet op je handen gaan zitten en kijken welke initiatieven er op je af komen. Het is zoeken: waar kun je het wel en waar kun je het niet waarmaken? Het opknappen van een speeltuin kun je als overheid prima ondersteunen op afstand, maar economisch investeringsbeleid is lastiger.

„Er is nu veel aandacht voor participatie, maar we weten nog niet hoe duurzaam en succesvol dit gaat zijn”, besluit Hendriks. „Het is spannend om te zien hoe politici en burgers elkaar gaan beïnvloeden.”