Banenplan helpt werklozen zelden aan werk

Het kabinet trekt, gespreid over twee jaar, 600 miljoen euro uit voor banenplannen.

Zullen zij de werkloosheid terugdringen? Nauwelijks.

Illustratie Studio NRC

Ja, de Europese arbeidsmarkt herstelt. Maar nee, snelle groei verwacht Randstad niet. „We zijn pessimistisch voor de korte termijn”, zei Jacques van den Broek, de topman van het internationale uitzendconcern, gisteren bij de presentatie van de kwartaalcijfers.

Om de werkloosheid in Nederland (684.000 mensen of 8,7 procent van de beroepsbevolking) tegen te gaan, heeft de overheid banenplannen gelanceerd. Het kabinet trekt, verdeeld over twee jaar, in totaal 600 miljoen euro uit voor ‘sectorplannen’ voor onder meer de bouw, zorg, transport en onderwijs. De sectoren kunnen zelf banenplannen indienen en betalen de helft van de kosten.

Gaat dit de werkloosheid terugdringen? Nee, niet veel. Vier redenen waarom banenplannen niet werken.

1 Banenplannen scheppen geen werk

Het kabinet zegt het zelf al: „Met de sectorplannen worden geen nieuwe banen gecreëerd”. De miljoenen zijn bedoeld voor leerwerkplekken voor jongeren, om oudere werknemers door de crisis te helpen, mensen van de ene baan naar de andere te begeleiden, bijscholing en voor regionale arbeidsmarkten.

Nieuwe banen scheppen, dat kan alleen de markt. Of indirect de overheid door de arbeidskosten te verlagen, zodat het verschil tussen bruto en netto loon kleiner wordt.

„De sectorplannen zijn politiek wisselgeld”, zegt hoogleraar economie Bas van der Klaauw. „Ze zijn het resultaat van het sociaal akkoord tussen kabinet en werkgevers en werknemers. De FNV is als vakcentrale sectoraal georganiseerd en wilde daarom plannen voor aparte sectoren.”

Ironisch genoeg is het ook de FNV die campagne voert voor „Echte banen” – met hoofdletter.

2 Banenplannen leiden niet zomaartot vaste contracten

Veel onderzoek toont dat het effect van banenplannen gering is, volgens Marloes de Graaf-Zijl, programmaleider arbeid bij het Centraal Planbureau (CPB). Gesubsidieerd werk leidt zelden tot vaste banen, concludeerden zij en andere onderzoekers al in 2002 op basis van evaluaties van Nederlandse banenplannen en internationaal onderzoek.

In de jaren negentig bijvoorbeeld subsidieerde de overheid 43.000 ‘ID-banen’. ID stond voor ‘in- en doorstroom’, maar slechts 6 procent van deze groep ‘Melkertiers’, vernoemd naar toenmalig minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Ad Melkert, stroomde daadwerkelijk door naar regulier werk.

Tegelijkertijd kostte het plan 900 miljoen euro. De Graaf-Zijl: „Banenplannen hebben weinig effect op de macro-economie, terwijl ze soms bakken geld kosten.”

3 Het effect van banenplannen is ook moeilijk aan te tonen

„Je weet nooit hoeveel mensen werk hadden gevonden zónder banenplan”, zegt Jan van Ours, hoogleraar arbeidseconomie aan de Universiteit van Tilburg. „Eigenlijk zou je een experimentele onderzoeksopzet moeten hebben met twee testgroepen: één die aan een banenplan meedoet en één niet.”

In de praktijk worden banenplannen ook niet altijd geëvalueerd, volgens Van Ours. „Voor een minister is het veel leuker om te zeggen ‘ik geef een half miljard uit’ aan een banenplan, dan om een paar jaar later te moeten zeggen dat het eigenlijk voor niets is geweest.”

4 Banenplannen kunnen juist hettegenovergestelde effect hebben

Als je vacatures laat vervullen door gesubsidieerde werknemers met een beperking, kan het zijn dat productievere kandidaten aan de kant blijven met een uitkering. Dan hebben we het over ‘verdringing’.

„Uit onderzoek blijkt dat banenplannen ook het minst effectief lijken te zijn voor de groepen die het het hardst nodig hebben”, zegt Paul de Beer, bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam. „Dat is natuurlijk wel pijnlijk. Scholing voor herintredende vrouwen bijvoorbeeld is effectiever dan voor werklozen. Dat verklaring is dat werklozen het stigma hebben ‘er zal wel iets mis met ze zijn’. En als ze ook nog eens een extra scholingstraject hebben gevolgd, onderstreept dat voor sommige werkgevers dat er wat schort aan hun kwalificaties.”

„Wat je ook ziet, is dat mensen die een training volgen, minder actief worden met het zoeken naar werk”, zegt Van Ours. „Per saldo is er dan geen effect van een banenplan. Het Locking In-Effect heet dat.”

5 Waarom zou je eigenlijk welbanenplannen maken?

Omdat mensen verwachten dat overheden iets doen als de economie vastloopt, als grote groepen burgers vastlopen. Langdurige werkloosheid doet afbreuk aan menselijk kapitaal, de geestelijke en lichamelijke gezondheid en kan leiden tot armoede. „Banenplannen zijn er ook omdat we arbeid iets moois vinden en het een nuttige dagbesteding is”, zegt De Graaf-Zijl van het CPB.

Voor specifieke groepen kunnen specifieke plannen bovendien wel (tijdelijk) effect hebben. De Taskforce Jeugdwerkloosheid (2004-2007) onder leiding van Hans de Boer leverde circa 40.000 extra jeugdbanen op – al bleek een even grote groep probleemjongeren „onbemiddelbaar”.

Uiteindelijk is werkgelegenheid een zaak van vraag en aanbod. De Graaf-Zijl: „Als de export aantrekt en de consumptie en de binnenlandse vraag naar arbeidskrachten stijgen, dan wordt het probleem van werkloosheid vanzelf opgelost.”

En daar kan geen banenplan wat aan veranderen. „Je kunt mensen wel fit maken voor de arbeidsmarkt”, zegt bestuursvoorzitter Van den Broek van Randstad, „maar als er geen werk is, dan wordt het lastig.”