‘Bach hoorde de ‘Matthäus’ 3 keer. Ik 300’

Foto Ilvy Njiokiktjien

Toen ik in 1982 afstudeerde aan het conservatorium, was de Nederlandse Bachvereniging net bezig aan een omslag. Van moderne instrumenten ging het over naar instrumenten uit de tijd van Bach, om zo tot een meer ‘authentieke’ speelstijl te komen. Het werd eigenlijk een heel nieuw orkest van jonge mensen met duidelijke ideeën over hoe Bach moet klinken.

Als leerling van Anner Bijlsma paste ik daar goed tussen. Dat ik Bijlsma als leraar had gekozen is al veelzeggend voor mijn smaak natuurlijk; zoals hij én oude én nieuwe muziek speelde, zo doe ik dat nu ook. Naast de Bachvereniging speel ik ook bij ASKO|Schönberg. Het is gezond in twee werelden te leven. Bovendien: je Bach wordt beter als je ook Messiaen en Schönberg speelt – en vice versa.

Inmiddels speel ik ruim dertig jaar bij het orkest, en dat geldt voor zeker de helft van de vaste musici. We hebben onderling aan een half woord genoeg. Maar doordat we projectmatig werken en velen van ons ernaast ook lesgeven en in andere ensembles meespelen, blijft de samenwerking fris.

Bach heeft zijn Matthäus 3 keer gehoord, ik 300 keer. Je groeit mee met het stuk. Vooral in de koralen kan het me aangrijpen, omdat ik daar de spanning even kan laten varen. Maar ik kan niet zeggen dat hij mijn lievelingscomponist is, want dat is Beethoven net zo goed. Bach kan ook ingewikkeld zijn. Toen we laatst een programma speelden met Bach naast werken van Schütz en Schein, bevielen die me haast beter. Bach is in zijn genialiteit vaak niet primair uit op ontroering.”