4 mei moet je zuiver houden, vindt de rabbijn

Dodenherdenking moet over de doden van de Tweede Wereldoorlog gaan, en niet over andere slachtoffers, vindt Binyomin Jacobs.

Opperrabbijn Binyomin Jacobs noemt het „een fout” de Dodenherdenking „steeds breder en breder” te trekken. Hij vindt dat je alleen de slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog moet herdenken op 4 mei. Niet alle slachtoffers van alle vredesmissies. „Dan degradeer je herdenken tot louter een educatief project. De herinnering aan Auschwitz is niet primair om ervan te leren. Educatie is een mooi, maar bijkomend doel.”

Jacobs is maandag 65 geworden, maar blijft in functie bij van het Interprovinciaal Opperrabbinaat – de Nederlandse joodse gemeenten min Amsterdam, Den Haag en Rotterdam – en voorzitter van het Nederlands College voor Rabbinale Zaken. Ook is hij geestelijk verzorger bij het in oorlogstrauma gespecialiseerde Sinai Centrum. Hij zegt dat hij vóór het herdenken van de slachtoffers van vredesmissies is, maar op een andere tijd en plaats dan op de Dam.

Jacobs’ ouders overleefden de Holocaust. Hij herinnert zich een bijeenkomst in Kamp Westerbork, waarbij hij naast de toenmalig Duitse ambassadeur Klaus Citron zat. „Hij excuseerde zich dat hij naast me zat namens zijn land, ook al was zijn vader als verzetsstrijder geëxecuteerd. Dat trof me. We zijn heel bevriend geraakt.”

Zelf zou hij het nu „hooglijk waarderen” als de Duitse ambassadeur bij de Dodenherdenking is. „Hij moet hier willen komen omdat hij zich schuldig voelt over wat er is gebeurd. Maar ook dan geldt: als hij ziet dat overlevenden van de Holocaust, of hun kinderen of kleinkinderen, dat niet aankunnen, moet hij dat niet willen.”

Jacobs stond decennia geleden bij het Sinai Centrum voor eenzelfde keuze. Moest de psychiatrische afdeling, waar getraumatiseerde kinderen van Auschwitzslachtoffers verblijven, nu wel of niet de kinderen van ‘foute’ ouders helpen?

„Ik vind van wel”, zegt hij. „Maar heel zwart-wit gezegd zet je dan een kind van een vergaste ouder in de wachtkamer naast een kind van een ouder die vergast heeft. Kunnen die twee dat aan, zonder dat ze beschadigd raken? Nee, dus daar moesten we wat anders voor bedenken.”

Op basis van de uitnodigingen die hij ontvangt om herdenkingen bij te wonen stelt Jacobs dat het aantal joodse monumenten en gedenktekens in Nederland groeit. Al heeft het Nederlandse rabbinaat noch het Joods Historisch Museum daar cijfers over.

„Meer nog dan de gedachtenis vind ik het belangrijk en emotioneel dat mensen iets hebben nagelaten in de gemeente waar ze vandaan kwamen.” Hij noemt educatie belangrijk. „Vaak zijn comités al een jaar bezig, met projecten op scholen en gedenkboeken. Auschwitz is ver weg voor mensen, maar met een gedenksteen of grafzerk in de eigen gemeente komt het dichtbij. Ik tref bij herdenkingen ook joden die weinig met het jodendom hebben, maar er toch zijn omdat het gedenkteken ook voor hun oma is. ”

Jacobs beseft dat het moment nabij is waarop geen overlevende van de oorlog meer in leven is. „Maar je moet verder kijken dan de overlevenden. De tweede of derde generatie kan ook getraumatiseerd zijn. Daarom moeten we herdenken. Een dominee is blij als hij lege plaatsen op de begraafplaats ziet, een rabbijn huilt omdat het plekken zijn voor mensen die een normale dood hadden verdiend.”