Beter hier op straat dan in New York

H et kan een beker met een bodempje koffie zijn. Of een lege frisdrankfles. Ik weet nooit wat er ’s ochtends naast de voordeur zal liggen bij de zwarte buitenstoelen. Vorige week was het een halve bagel met smeerkaas, waar een kraai uit de buurt geconcentreerd van genoot.

De dakloze Marie brengt vaak de nacht door op een van de stoelen en de achtergebleven spullen zijn haar sporen. Ze is klein en pezig als een marathonloper, met kort haar en een permanente glimlach. Letterlijk: ze glimlacht nooit niet wanneer ik haar door de buurt zie lopen. Ze doucht denk ik ergens in een opvang, want ze stinkt niet. Alleen haar eeuwig blote voeten zien bruin-zwart van het vuil.

Marie en ik leven eigenlijk als buren, een beetje ongemakkelijk maar in vreedzame harmonie. Zodra ze me bij de voordeur hoort, springt ze op en snelwandelt discreet weg tussen de geparkeerde auto’s. Van een praatje is het nog niet gekomen. Ik heb geduld en tijd. Zij ook, vermoed ik.

Marie is een van de 254.000 daklozen in de regio Los Angeles, op een totale bevolking van tien miljoen. Volgens het Institute for the Study of Homelessnes and Poverty leeft meer dan een kwart van de daklozen in gezinsverband, vaak met kinderen. Een kwart is geestesziek, eenvijfde deel lichamelijk gehandicapt. Zeker 25 procent is als kind misbruikt. Er zijn zo’n twintigduizend minderjarigen die het alleen op straat rooien. Velen bedelen. Anderen leven vanuit hun auto, zoals te zien is in de talloze stokoude, volgepropte wagens in de kustwijken.

N u het goede nieuws. Al die thuislozen verblijven in een stad met een formidabel klimaat. Men klaagt hier als het eens níet 23 graden is. Een beetje regen heet een rain storm. Ik citeer graag de schrijfster Meghan Daum, die het Zuid-Californische weer treffend omschrijft als „niet te koud, niet te warm, maar een studie naar de onbezongen kwaliteiten van lauw”.

Dat maakt het aangenamer om in LA op straat te leven dan in New York. Ik kan dat niet uit ervaring zeggen, maar wel op basis van een bron aan het nabije strand. Laatst liep ik door Venice, en struikelde bijna over de benen van ene Bob. Die staken uit een portiek, en zijn camouflagebroek camoufleerde hem op het grijze trottoir.

Ik riep sorry, hij bood op zijn beurt ook excuses aan, en voordat ik het wist had ik een groezelige hand vast ter introductie. Bob stelde zich voor en vertelde dat het leven helemaal niet slecht was, daar in de zon, met uitzicht op de Stille Oceaan. Nadat ik de fles Jack Daniels en een joint had geweigerd, alsmede een verzoek om „een paar dollar, of anders twintig”, namen we afscheid als vrienden.

I n het nieuws komen de daklozen geregeld voorbij. Zo besloten een paar getalenteerde tieners op BMX-crossfietsen laatst om hun nieuwste trucs op YouTube te zetten. Ze sprongen op hoge snelheid over slapende daklozen heen – stunts die gelukkig niet misgingen.

„Geen enkel respect voor de waarde van een mensenleven”, brieste een politiewoordvoerder, nadat het filmpje op de televisie was vertoond. Ook geschokte Angelenos lieten van zich horen: onaanvaardbaar. Over het onderliggende probleem van honderdduizenden mensen zonder thuis hoorden we verder niet.

Of mijn buurvrouw echt Marie heet, valt niet te zeggen. Ik noem haar zo, omdat ze me doet denken aan een studiegenoot met die naam. Als ik haar groet, kijkt Marie schichtig weg. Misschien blijft ze ooit zitten als ik haar eens koffie breng.