Op reis durven politici grote visies wel aan

Als alle politici van Nederland met vakantie waren, zou Frans Timmermans het waarschijnlijk niet merken. De minister van Buitenlandse Zaken vat zijn taak letterlijk op. Je kunt eigenlijk niet zeggen dat hij vaak op reis is. Het is eerder zo dat hij regelmatig terugkomt. Geklaagd wordt er in Den Haag tot nu toe nauwelijks over zijn reislust. Voor een deel omdat er steun is voor zijn doelen. Zijn voorganger Uri Rosenthal wilde, behalve in het Midden-Oosten, vooral een economische rol spelen. Timmermans laat zich het liefst overal politiek gelden, van Oekraïne tot Japan.

Er is geen minister die zo gretig profiteert van de weken dat het parlement niet vergadert. De meeste ministers beperken hun optredens in het meireces, deze en volgende week. Timmermans niet. De vorige recesweek, begin maart, benutte hij onder meer voor een bezoek aan Nieuw-Zeeland en Australië. Deze week begon hij op maandag in Tallin, de hoofdstad van Estland. Daar legde hij op een conferentie zijn visie uit op internetvrijheid. Aan het einde van de week is hij op bezoek in Canada, na een stop van een paar dagen in Washington. Ook in Amerika staat, tussen andere bezigheden door, een visie op het menu: nu over de Trans-Atlantische relatie.

Zou het iets met dat reizen te maken hebben, al die visie? Of, beter gezegd, met de internationale omgeving? Andere politici komen ook tot hun mooiste vergezichten als ze Den Haag uit zijn. Soms hoeven ze niet eens ver. Bij de PvdA kwamen vorige week de grote ideeën toen ze naar Amsterdam mochten om te brainstormen met andere sociaal-democraten uit Europa. Partijleider Diederik Samsom had een energievisie – althans, hij pleitte daar voor – en vicepremier Lodewijk Asscher hield een betoog over ongelijkheid en werk in Europa. Zelfs VVD-leider en premier Rutte, die niet van vergezichten houdt, kwam bij geestverwanten, in het Verenigd Koninkrijk en in Duitsland, tot iets van een kerngedachte. Die bleek er samengevat uit te bestaan dat eigenbelang leidend moet zijn in het denken over internationale orde. Rutte beschouwt de Europese Unie als niet meer dan „een van de internationale organisaties” waar Nederland lid van is om dat eigenbelang na te streven. Noem het maar geen visie – Rutte gaat een stuk verder dan de VVD van begin deze eeuw, die genoegen nam met het boekhoudersliberalisme van Gerrit Zalm.

In de politieke thuisarena komen zulke visies nauwelijks aan bod. Elke partij knutselt aan haar ideeën in eigen kring. De SP is tegen het ‘neoliberalisme’ en de PVV tegen de islam. Het CDA is bezig met de ‘zeven principes’ van Sybrand van Haersma Buma – voor familie, samenleving en Europa, en tegen ‘profiteurs’.

Maar dergelijke noties dienen in de eerste plaats als marketinginstrument om de kiezer te bereiken. Daar is op zich niets mis mee – je kunt partijen niet kwalijk nemen dat ze meer willen zijn dan concurrerende uitzendbureaus voor politiek personeel. Maar ideeën zouden ook kunnen helpen om het politieke debat in Den Haag af en toe uit te tillen boven het dagelijkse werk dat ook moet gebeuren, het haalbare compromis en de praktische wetgeving.

Dat lukte al niet bij de politieke beschouwingen in september. Die stonden strak van de spanning over begrotingsonderhandelingen. Maar sindsdien waren er andere aanleidingen. Het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid over een ‘lerende economie’ – als alternatief voor de verdwijnende middenklasse-economie. Het debat over wat de participatiesamenleving nu eigenlijk is. Het energiedebat. Het privacydebat. Ga zo maar door. Soms staat zo’n debat over grote strategische vragen een tijdje met potlood op de Kameragenda. Maar al zijn de betrokken politici bijna nooit op reis: tijd hebben ze nooit.