Hoe de Spaanse griep 50 miljoen mensen kon doden

Het griepvirus dat aan het eind van de Eerste Wereldoorlog meer doden eiste dan die hele oorlog kon zo gevaarlijk worden door genen uit een vogelgriepvirus.

Slachtoffers van de Spaanse griep werden in Amsterdam per fietsbrancard afgevoerd.
Slachtoffers van de Spaanse griep werden in Amsterdam per fietsbrancard afgevoerd.

Het virus dat rond 1918 de Spaanse griep veroorzaakte, met zo’n 50 miljoen doden tot gevolg, was niet uit varkens of vogels oversprongen. Het dodelijke virus ontstond in de mens uit een griepstam die op dat moment al tien tot vijftien jaar onder mensen circuleerde. Maar pas toen deze stam een paar jaar voor 1918 een aantal genen uit een vogelgriepvirus oppikte werd het echt gevaarlijk.

Dat schrijft een team van Amerikaanse en Schotse evolutiebiologen vandaag in het wetenschappelijke tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences. Het onderzoek werpt licht op een aantal onopgeloste mysteries van de Spaanse griep: waar kwam het virus zo plotseling vandaan en waarom was de infectie vooral dodelijk voor mensen tussen de 20 en de 40, terwijl griep normaal juist slachtoffers maakt onder kleine kinderen en bejaarden?

Het team onder leiding van Michael Worobey van de University of Arizona reconstrueerde de stambomen van griepvirussen uit vogels, varkens en mensen aan de hand van de genetische code. Griepvirussen hebben acht gensegmenten, die de genetische code bevatten voor de eiwitten waaruit het virus is opgebouwd. Twee van die eiwitten zitten aan de buitenkant van het virus en zijn het belangrijkste doelwit van de immunologische afweer tegen het virus. Het zijn hemagglutinine en neuraminidase, die worden aangeduid met de letters H en N gevolgd door een cijfer om het subtype aan te geven.

De onderzoekers komen tot de conclusie dat vanaf ongeveer 1907 een H1-griepvirus circuleerde (waarschijnlijk H1N8). Dat virus was nog redelijk onschuldig, totdat het – waarschijnlijk in één keer – zeven stukjes erfelijk materiaal overnam van een vogelgriepvirus, mogelijk H1N7. Die H1N8 werd toen een H1N1. Mensen onder de 20 waren als kind blootgesteld aan H1N8 en kregen mildere ziekteverschijnselen. Ouderen hadden waarschijnlijk in hun jeugd ook al te maken gehad met een H1-griep. De generatie twintigers en dertigers van toen had in de kindertijd echter vooral te maken gehad met H3N8-griep. Daardoor was de afweer van deze specifieke groep niet in staat Spaanse griep snel te neutraliseren.

Het varkensgriepvirus H1N1 blijkt nu een directe afstammeling van het menselijke Spaanse griepvirus, en dus niet andersom. Maar de H1N1-stam die als seizoensgriep nog altijd onder mensen circuleert, is juist géén afstammeling van de Spaanse griep, concludeert Worobey. Deze ontstond uit de relatief onschuldige H1-stam die al voor de pandemie rondwaarde.

Het onderzoek bevestigt dat de dodelijkheid van griepvirussen niet per se een eigenschap van het virus zelf is, maar er ook van afhangt in hoeverre mensen er in hun kindertijd al immuniteit tegen hebben kunnen opbouwen.

„Een gedegen reconstructie”, reageert viroloog Ab Osterhaus van Erasmuc MC in Rotterdam op het artikel. „Maar ik zie nog niet zo gauw hoe deze kennis kan helpen bij preventieve strategieën tijdens nieuwe grieppandemieën. Het lastige is dat telkens te maken hebt met nieuwe, onvoorspelbare combinaties. Ontwikkeling van meer universele griepvaccins biedt waarschijnlijk meer mogelijkheden.”