Opinie

Een tatoeage van oma’s kampnummer

Natascha van Weezel in ‘Elke Dag 4 Mei’ (NCRV).
Natascha van Weezel in ‘Elke Dag 4 Mei’ (NCRV).

Toen de tweede generatie Joodse oorlogsslachtoffers zich in de jaren tachtig als zodanig begon te definiëren, was dat een schoorvoetende, bijna omtrekkende beweging. Eerst moest je na decennia van stilte weer hardop durven zeggen dat je Joods was en dan moest je bedenken wat dat eigenlijk betekende. Geen ras dus, maar wat dan wel: een volk, een geloof, een subcultuur, een groepsidentiteit?

In de gefilmde egodocumenten overheerste destijds een zekere zelfspot, soms zelfs sarcasme. Rudolf van den Berg ging neuzen meten in de documentaire De Plaats van de Vreemdeling (1982) en liet Ischa Meijer, nog net eerste generatie, in de speelfilm Bastille (1984) grijnzend van een speenvarken peuzelen.

De erfenis van stilte, de rivaliteit in verdriet en het missen van een uitgebreide familie kregen gestalte in het boek van journaliste Helene Weijel In Twee Werelden. Gesprekken met Kinderen van Joodse Overlevenden (1985). Haar gesprekspartners en lotgenoten waren anoniem, maar omdat de meesten in de media en de politiek werkten, vielen ze makkelijk te herkennen. Onder hen de politiek redacteur van Vrij Nederland Max van Weezel, die een jaar later met een andere topjournalist, Anet Bleich, toch een dochter kreeg, hoewel ze daar altijd huiverig voor waren geweest. Nu sprak Natascha van Weezel (27) voor haar documentaire Elke Dag 4 Mei (2DOC/NCRV) met de derde generatie.

Je hoeft daar niet toe te behoren om als tiener anorexia te krijgen of als dertiger een burn-out, maar het verband ligt wel voor de hand. Met flair vertelt Van Weezel in haar egodocument hoe haar moeder altijd televisie moest kijken om elke oorlog te volgen en haar vader haar naar elke holocaustherdenking meenam. Ze kent elke plek in Amsterdam-Zuid waar familieleden werden weggehaald en heeft last van angsten dat ze niet zou mogen bestaan, zelfs als beschermd prinsesje.

Deze generatie, die soms weer Anstadt of Rottenberg heet, beschrijft die existentiële vrees veel directer, en noemt zich zonder aarzeling Joods. De humor en relativering is dan ook in deze film veel minder sterk aanwezig.

In een item van EenVandaag over de regisseur wordt in vertrouwd televisiejargon geprobeerd een slachtoffer van haar te maken. Een psychiater oppert dat het overstelpen van een kind met bedreigende informatie misschien te veel van het goede was. Maar als deze jongeren iets willen vermijden, is het juist de positie van slachtoffer. Een van de hoofdpersonen is dan ook een vechtsporter, historicus en bouwvakker.

Wat de film goed duidelijk maakt is dat het politieke klimaat voor de derde generatie een stuk guurder is geworden dan in dezelfde levensfase voor de tweede. Die werkte, ook om minder last te hebben van negatieve gevoelens, keihard aan een betere wereld. De spoken van oorlog, discriminatie en nationalisme waren immers bijna de wereld uit, te beginnen in Nederland.

Inmiddels weten we beter, nu er weer heel veel oorlog en heel veel nationalisme op de televisie valt te bekijken. De holocaust, zegt een van de jongeren, was geen zaak van het Kwaad, maar van Verraad. Je leven kan zomaar weer zeven gulden vijftig waard zijn en niemand is ooit volledig te vertrouwen, nu minder dan ooit. Of het helpt om te overwegen het kampnummer van je oma te laten tatoeëren, dat is niet erg waarschijnlijk.