De inkomensongelijkheid in China was niet eerder zo groot

Sinds China in 1978 de markt in ere herstelde, is de kloof tussen arm en rijk snel toegenomen.

Sinds 2005 heeft de inkomensongelijkheid in China een ongekende hoogte bereikt. Hij is nu al groter dan die in de Verenigde Staten, het westerse land met de grootste verschillen tussen gezinsinkomens. Dat schrijven twee Chinese sociologen deze week in het wetenschappelijke tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences (PNAS).

De ongelijkheid van inkomens wordt uitgedrukt in de zogenoemde Gini-coëfficiënt, die in 1912 is ontwikkeld door de Italiaanse statisticus Corrado Gini. Het is een getal tussen 0 en 1, waarbij 0 staat voor volmaakte gelijkheid (iedereen heeft hetzelfde inkomen) en 1 voor volmaakte ongelijkheid (één persoon heeft alle inkomen en alle anderen hebben niets). In China ligt deze Gini-coëfficiënt volgens de onderzoekers nu al tussen de 0,53 en 0,55. In de VS was hij in 2010 0,45.

Sinds de Chinese staat, na dertig jaar experimenteren met een socialistisch model, in 1978 het boereneigendom en de markt in ere herstelde, is de ongelijkheid van inkomens snel toegenomen. Ofschoon de Chinese bevolking met deze extreme verschillen lijkt te kunnen leven, zijn er tekenen van toenemende onvrede. In een landelijk opinieonderzoek van 2012 noemden ondervraagden de economische ongelijkheid (benoemd als ‘de kloof tussen arm en rijk’) het grootste maatschappelijke probleem, groter dan corruptie en werkloosheid.

Regeringsstatistieken over het welzijn van de Chinese bevolking zijn onbetrouwbaar. Het Nationale Bureau voor de Statistiek maakt alleen macrocijfers openbaar, maar die zijn lastig te verifiëren, want het bureau houdt de onderliggende microdata geheim. Het stopte in 2000 met het vrijgeven van de actuele Gini-coëfficient. In dat jaar bereikte die een waarde van 0,41. Toen een econoom in 2013 beweerde dat die al richting 0,61 liep, gaf de regering de cijfers van de voorgaande jaren vrij. Die lagen onder de 0,5. De auteurs van het PNAS-artikel berekenden de landelijke Gini-coëfficiënt op basis van zes regionale onderzoeken, die zijn uitgevoerd door universitaire instituten en waarvan wél duidelijk is hoe de steekproeven zijn getrokken.

De ongelijkheid in China is vooral het gevolg van de inkomenskloof tussen stad en platteland en tussen verschillende regio’s.