De Britse overname van ‘zijn’ Hoogovens heeft hij diep betreurd

Olivier van Royen (84)

Het lot van staalbedrijf Hoogovens ging de voormalige bestuursvoorzitter nog jaren na zijn pensioen aan het hart.

Olivier van Royen (1930-2014)
Olivier van Royen (1930-2014) Foto Bas Czerwinski

Tien jaar was hij al weg bij staalconcern Corus (voorheen Hoogovens, tegenwoordig Tata Steel). Toen mengde voormalig Hoogovens-bestuursvoorzitter Olivier van Royen (1930) zich nog één keer in de strijd die toen, in 2004, woedde tussen het Britse en het Nederlandse smaldeel van het concern. Van Royen schoof Aad van der Velden, ook een oud-Hoogovensman, naar voren als kandidaat-commissaris, en kreeg daarbij de steun van een activistische Russische grootaandeelhouder.

De actie mislukte, maar is wel tekenend voor de betrokkenheid van Van Royen, die afgelopen vrijdag overleed. Hij begon in 1954 bij Hoogovens, was van 1988 tot 1993 bestuursvoorzitter en daarna tot de fusie met British Steel in 1999 commissaris. „Het lot van Corus gaat mij aan het hart”, zei Van Royen in 2004 in deze krant, om zijn actie te verdedigen. „Wat er nu gebeurt is schadelijk voor het bedrijf.”

Een jaar daarvoor bereikte het conflict tussen de Britten en Nederlanders een hoogtepunt, toen de raad van bestuur probeerde de Nederlandse aluminiumtak van Corus te verkopen om kapitaal op te halen voor het toen noodlijdende bedrijf. Leo Berndsen, de toenmalige president-commissaris van Corus Nederland, wist dat met een rechtszaak te voorkomen. Van Royen zat er dagenlang bij in de rechtszaal om Berndsen, die hij ooit zelf aantrok als commissaris, te steunen. De twee kenden elkaar goed: Van Royen was zelf president-commissaris bij containervervoerder Nedlloyd toen Berndsen daar topman was. „Mijn heilige overtuiging is dat Corus gered is door het karaktervolle optreden van Berndsen”, zei Van Royen later in deze krant.

Van Royen zat erbij als commissaris toen de toenmalige top van Hoogovens in 1999 het plan presenteerde om samen te gaan met British Steel. Dat heette een fusie, maar de Britten kregen de meerderheid van de aandelen, dus eigenlijk was het een overname. De Britten hadden toegezegd dat de Nederlanders een evenredige vertegenwoordiging in het bestuur van het bedrijf zouden krijgen, maar daar kwam weinig van terecht.

Snel na de overname bleken de Britse staalfabrieken er beduidend slechter voor te staan dan de Nederlandse, maar de Britten aarzelden om hard in te grijpen, tot woede van de Nederlanders, die zelf wel hadden gesaneerd – zo voerde Van Royen zelf in zijn voorlaatste jaar als topman nog een grote sanering door, waarbij ruim 2.000 banen verdwenen. Achteraf zei hij in Het Parool dat de Nederlanders zich hadden laten ‘inpakken’ door de Britten. „Aan Nederlandse zijde zijn grote fouten gemaakt. Ook al steunde ik de fusie destijds met volle overtuiging.”