Opinie

Avontuurlijk

Een goede buur kan een verre vriend worden die je op den duur vrijwel helemaal uit het oog verliest. Zoals na een verhuizing. Toch blijft er af en toe een gevoel van spijt & verwijt knagen: waarom geen contact meer gezocht „nu het nog kan”, mits de behoefte wederzijds is? Zo kon het gebeuren dat wij weer bezoek kregen van buren uit het noorden van het land, van wie wij ruim veertig jaar geleden afscheid namen. In de tussentijd hadden wij elkaar nauwelijks meer gezien. We hadden maar kort naast elkaar gewoond, te kort om elkaar goed te leren kennen, maar lang genoeg om elkaar te mogen.

Toen ze op een mooie lentemorgen opeens weer voor ons stonden, wist ik zeker dat ik ze nooit herkend zou hebben als ze tegenover mij in de tram hadden gezeten. Pas als je goed naar hun gezichten keek, kwamen hun trekken van vroeger weer bovendrijven. Ook hun stemmen was ik vergeten. Toch was er snel een gevoel van vertrouwdheid; belangrijker dan gezichten en stemmen is misschien wel de sfeer die mensen omgeeft.

Mijn vroegere buurman die nu bijna 75 was, bleek al op zijn zestigste met pensioen te zijn gegaan. „Dat was toen nog heel normaal.” Hij en zijn vrouw hadden een hobby ontwikkeld die mij met groot ontzag vervulde: reizen. Nee, niet zomaar gemakzuchtig reizen in auto’s, treinen en vliegtuigen, zoals u en vooral ik, maar reizen per fiets – en dan over de hele wereld.

Het bleken nog steeds de nuchtere, bescheiden mensen die wij ons van vroeger herinnerden, zodat pas geleidelijk tot ons doordrong hoe avontuurlijk hun reizend leven was. Zonder enige nadruk zeiden ze soms als de naam van een (buiten)land of stad viel, die wij ooit uiterst comfortabel hadden bereikt: „Daar zijn wij nog met de fiets geweest.” En dit dan alleen nog op de vraag: „Hoe zijn jullie er naartoe gereisd?”

Mij begon pas iets op te vallen toen ze na een vraag over Florence zeiden: „Wij zijn toen met de fiets naar huis gegaan.” „De fiets op de auto?”, vroeg ik argeloos. Nee, ze waren gewoon naar huis gepeddeld.

Ach, dacht ik toen nog, het is erg ver en mij niet gezien, maar met de nodige oefening kan zoiets kennelijk nog op hoge leeftijd. Ik vroeg nog wel: „En die bergen dan?” „Dat ging goed”, zeiden ze. „Lopen jullie dan hele stukken met de fiets aan de hand?” vroeg ik. „Welnee”, zeiden ze, „dat is ja nergens voor nodig.” Ze hadden veel geklommen, verzekerden ze ons, de hoogste cols uit de Tour de France, de Dolomieten, in Tsjechië. Ze waren toen al in de zestig.

„Ook nog buiten Europa?”, vroeg ik ademloos. „Jazeker”, zeiden ze, „we hebben heel Nieuw-Zeeland per fiets verkend.” „Ik zou zelf nog eens graag door Canada reizen…per trein”, zei ik bijna beschaamd. „Het is daar mooi fietsen”, zeiden ze. „Wij zijn in Calgary begonnen, door de Rocky Mountains gegaan en toen naar Vancouver en Vancouver Island.”

„Ik zou alleen al van de zadelpijn zijn gestorven”, zei ik. „Een mens kan meer dan hij denkt, Frits”, zei mijn ex-buurman zacht. „Je moet beginnen met een goed zadel”, adviseerde zijn vrouw.

Tegenwoordig fietsten ze met een motortje op de fiets; nog wel grote afstanden overigens. Ze moesten voorzichtig zijn, hij had een ernstige hartkwaal gekregen. Hij wees op zijn borst: daar huisde onder zijn huid een hartstimulatieapparaatje ter waarde van 30.000 euro. Ik huiverde. Zou het de wraak van God zijn?