Vertrouwen in kerk de afgelopen twintig jaar nog nooit zo laag

Een lege Sint Victorkerk in Obdam.
Een lege Sint Victorkerk in Obdam. Foto ANP/ Koen Suyk

In de afgelopen twintig jaar is het vertrouwen dat mensen in de kerken hebben nog nooit zo laag geweest, schrijft het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) in een rapport (pdf) over de godsdienstige ontwikkelingen in Nederland.

De laatste jaren (vanaf 2006) is het percentage mensen dat zegt “zeer weinig tot helemaal geen vertrouwen” te hebben, gestegen van 45 naar 58 procent. Tussen 1966 en 2006 daalde volgens het SCP bovendien het percentage kerkleden dat meent dat je je aan alle regels van de kerk dient te houden van 51 naar 34 procent.

Het percentage Nederlanders dat lid van een kerk is, slonk sinds 1970 met de helft. Nog sterker gedaald is het percentage mensen dat regelmatig een kerk of “godsdienstelijke samenkomst” bezoekt. Onder alle mensen daalde dat met liefst 71 procent, van 51 naar 15 procent.

Kerk als nutsbedrijf

De kerk heeft voor veel mensen niet meer de traditionele functie. Nederlanders gebruiken kerken tegenwoordig als een “soort openbare nutsbedrijven”, plekken waar je kunt trouwen, waar begrafenisdiensten zijn en collectieve rouwverwerking plaatsvindt.

Toch blijven de kerken in allerlei opzichten van belang, schrijft het SCP. Zo slagen zij erin een groot deel van de “in hun terrein geïnteresseerden” te verenigen binnen de organisatie. Daarnaast zijn ze maatschappelijk van belang. Zo is het percentage vrijwilligers onder de regelmatige kerkgangers het tweevoudige van dat onder mensen die niet bij een kerk horen en er nooit een bezoeken, 52 procent tegenover 25 procent.

Maar: Nederlanders geloven nog wel

Dat kerken hun populariteit zijn verloren, betekent niet dat Nederlanders nergens meer in geloven. 40 procent ziet zichzelf als spiritueel of religieus mens. Vooral spiritualiteit en zelfspiritualiteit zijn sinds de jaren ’90 in trek. Veel mensen gaven aan het eens te zijn met de stellingen dat “de zin van het leven gevonden moet worden in unieke innerlijke ervaringen” en dat “de eigen vermogens moeten worden ontwikkeld”. Zo’n 90 procent kan zich hierin vinden, 40 procent zelfs in hoge mate.

Jongere generatie vaker naar de kerk

Een andere conclusie is dat de scheidslijn wat betreft kerkelijke instelling tussen ouders en kinderen is verschoven naar een scheidslijn tussen grootouders en kinderen. In Nederlandse families zijn het de grootouders die een “aparte positie” innemen doordat ze een sterkere binding met de kerk hebben en gelovigheid. Hun kinderen en kleinkinderen zijn daar ver van verwijderd geraakt.

Maar als het gaat om de kerkelijke bevolking, lijkt zich het omgekeerde voor te doen: van alle kerkgangers zijn het de jonge kerkleden die geregeld naar de kerk gaan - 44 procent tegenover 32 procent voor alle kerkleden. Ook hebben zij vaker veel vertrouwen in de kerk met 43 procent tegenover 30 procent en ze zijn vaker van mening dat aan alle voorschriften van de kerk moet worden voldaan.