Boeken

Lezen met ALS: slapeloos met Bloem

Vandaag: de poëzie van Jakobus Cornelis Bloem

Illustratie Hajo

Pieter Steinz, oud-Chef Boeken van NRC Handelsblad, heeft de progressieve spierziekte ALS. In een rubriek verbindt hij zijn ziekteverloop met de boeken die hij herleest. Vandaag: de poëzie van Jakobus Cornelis Bloem.

Dat zal je altijd zien. Op de dag dat ik trots meldde dat ik sinds mijn diagnose nog geen nacht slecht had geslapen, zette de slapeloosheid in. Een week lang kwam ik niet dieper in slaap dan een lichte doezel; op het moment dat ik wegzakte, schrok ik telkens wakker. De enige uitzondering was de nacht dat ik ten einde raad een slaaptablet nam – iets wat eigenlijk onverstandig is voor een ALS-patiënt omdat je je (ademhalings)spieren niet extra moet verslappen. In de andere nachten was ik overgeleverd aan een allesbehalve ontspannende minder-dan-halfslaap, waarin mijn gedachten van links naar rechts tolden. Piekeren zou ik het niet willen noemen, maar dat nam niet weg dat de openingsverzen van J.C. Bloems ‘Insomnia’ met een zekere regelmaat voorbijkwamen: ‘Denkend aan de dood kan ik niet slapen / en niet slapend denk ik aan de dood’.

Zo kwam ik overdag terecht bij Bloem, die voor mij, samen met Leopold, de top van de Nederlandse poëzie vormt. (James Joyce, dol als hij was op internationale taalspelletjes en woordspelingen, zou het geweldig hebben gevonden om te weten dat twee van onze grootste dichters samen de naam van de hoofdpersoon van Ulysses vormen.) Ik blader door Bloems verzameld werk (1965) en lees gedichten met titels als ‘De stervende’, ‘Euthanasia’, ‘Allerzielen’, ‘Grafschrift’ (2x), ‘Elegie’, ‘De gelatene’, ‘Morituri’ en maar liefst vier keer iets met een kerkhof. Memorabel sombere dichtregels zijn bijna achteloos over de pagina’s gestrooid: ‘Ik open het raam en laat het najaar binnen.’ ‘Verregend, op een miezerige morgen’, ‘Altijd dit lege hart, altijd’. ‘Elk zijn is tot niet zijn geschapen.’ En uit ‘Zondag’:

Niet te verzoenen is het leven.

Ten einde is dit wellicht nog het meest:

Te kunnen zeggen: het is even

Tussen twee stilten luid geweest.’

Een lachebekje was hij niet, Jakobus Cornelis Bloem. Zijn gedichten, waarin het altijd zachtjes lijkt te regenen, zijn de Hollandse pendant van de blues. De beroemde oneliners (‘En dan: ’t had zoveel erger kunnen zijn’, ‘Alles is veel voor wie niet veel verwacht’) zijn variaties van het ‘Woke up one morning…’ en ‘I’ve been down so long’ van de grote blueszangers. Maar net als de Amerikaanse bluesmen schiep Bloem een duivels genoegen in overdrijving. Vergeefsheid was zijn thema, en dus tamboereerde hij op het zinloze van het bestaan. ‘Ik heb van het leven vrijwel niets verwacht, / ’t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen’, dichtte hij in ‘De nachtegalen’, en dat is alleen maar de bekendste verklanking van zijn odes aan de ijdelheid van het menselijk streven.

Bloems zwarte (of beter: grijze) romantiek, gedrenkt in frustratie en doodsverlangen, is onweerstaanbaar voor de liefhebber van klassieke poëzie, maar niet bepaald troostend voor iemand die zijn einde dichterbij ziet komen. Toch lees ik Bloems gedichten niet uit masochisme. Ik beschouw ze eerder als de sirenezang van een advocaat van de duivel. Kom op, Bloem! zou ik willen tegenwerpen; zo zinloos is het bestaan niet. Kijk naar uw eigen leven, hoeveel is daar niet uit voortgekomen? ‘Is dit genoeg, een stuk of wat gedichten’, vraagt u zich af in ‘Dichterschap’, maar dat is koketterie. Uw poëzie heeft generaties bekoord en zal dat blijven doen. Uw verzen zijn onderdeel van het dagelijkse taalgebruik. Uw poëzie heeft levens veranderd. Wat wilt u nog meer?

Maar hoe zit het dan met ons, gewone stervelingen, die geen gedichten als Bloem, muziek als Bach, schilderijen als Bosch, dansvoorstellingen als Bausch achterlaten? Ook onze levens zijn nooit voor niets geweest, zelfs al geven we ons daarvan niet constant rekenschap. Een van de mooie ervaringen van het afgelopen jaar, sinds het moment dat bekend werd dat ik lijd aan ALS, was de stroom aan brieven en e-mails die ik kreeg van bekenden en onbekenden. Iedereen probeerde troost te bieden, en heel vaak had die troost de vorm van een herinnering aan iets kleins waarmee ik andermans leven een beetje zou hebben veranderd. Een helpende hand die ik had uitgestoken. Een college dat ik had gegeven. Een artikel dat ik in de krant had gepubliceerd. Een grap die ik had gemaakt. Het was om verlegen van te worden, en soms bekroop me het gevoel aanwezig te zijn bij mijn eigen begrafenis. Of, vrolijker gezegd: mee te spelen in een gepersonaliseerde versie van de film It’s a Wonderful Life, waarin James Stewart van zelfmoord wordt afgehouden door een beschermengel die hem laat zien hoe zijn schijnbaar onbetekenende leven van grote waarde is geweest voor de mensen die zijn pad hebben gekruist.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht, filosoferend op een miezerige morgen. Een staat van insomnia waaraan na een week een eind kwam door een intakegesprek op het Centrum voor Thuisbeademing. De internist constateerde een hoog CO2-gehalte in mijn bloed – het gevolg van het feit dat mijn ademhalingsspieren afvalgassen niet uitgeblazen krijgen. De slapeloosheid was de voorbode van een dreigend koolzuurcoma; ik werd direct opgenomen. Na zes dagen van experiment en instructie mocht ik naar huis, gewapend met een luchtblaasmachine en een mondneusmasker waarmee ik ’s nachts mijn ademhaling op gang zou kunnen houden. Het was even wennen, maar ik kon weer slapen.

Blogger

Pieter Steinz

Pieter Steinz (6 oktober 1963 - 29 augustus 2016) werkte van 1989 tot 2012 bij NRC Handelsblad, onder meer als literair redacteur en chef Boeken. Hij schreef ruim vijftien boeken, waaronder Lezen etcetera (2003) en Made in Europe (2014).

    • Pieter Steinz