Filosofische graffiti in het museum

In het Rijksmuseum wijst Alain de Botton op de therapeutische waarde van kunst. Kijk hoe Manet asperges schilderde, zegt de Britse filosoof, en je kunt lessen trekken voor een lange relatie.

Pieter Saenredam: Interieur van de Sint Odolphus kerk in Assendelt (1649). De zaaltekst meldt onder meer dat de schilder in Assendelft is geboren en dat hij ruimtelijkheid creëert door het centraal perspectief toe te passen. De Botton zegt onder meer: „Check niet voortdurend je e-mail.”
Pieter Saenredam: Interieur van de Sint Odolphus kerk in Assendelt (1649). De zaaltekst meldt onder meer dat de schilder in Assendelft is geboren en dat hij ruimtelijkheid creëert door het centraal perspectief toe te passen. De Botton zegt onder meer: „Check niet voortdurend je e-mail.”

Hazenvel wordt het onregelmatige patroon in het glazuur van een bepaald soort Chinese theekom uit de twaalfde eeuw genoemd, te zien in het Aziatisch Paviljoen van het Rijksmuseum. Hazenvel! De naam maakt het glazuur nog gladder en glanzender, en geeft de kom, zo roerloos als alleen dingen in de vitrine van een museum kunnen zijn, plotseling vaart; het is alsof het ding even van vorm verandert; hij springt al bijna van zijn vaste plek om het gebouw uit te rennen; het vrije veld in.

Meestal stelt het woord zich bescheiden op in musea voor beeldende kunst; een paar honderd letters naast of onder een schilderij of voorwerp. Er wordt nuchter verteld hoe oud het is en hoe groot, van welk materiaal het is gemaakt, waar dat is gebeurd en indien bekend door wie. Soms volgt er nog wat informatie over het onderwerp of de compositie. Daar moet de kijker het mee doen. Nu hangen er in het Rijksmuseum naast 150 kunstwerken opeens grote gele post-its, met daarop in dikke zwarte letters informatie van een heel ander soort dan het wiewatwaar van de gewone informatiebordjes.

Naast de Chinese kom staat bijvoorbeeld: „Alsjeblieft zeg, het is maar een citroen/vijg/olijf/gekookt ei/kop thee!” En bij een Chinese schotel in dezelfde vitrine: „Ik kan me geen mooie dingen veroorloven.” In kleine letters kun je de remedie voor deze kwaal lezen: „De schaal vertelt ons dat dingen ook waardevol kunnen zijn vanwege hun zuivere en elegante vorm, en niet alleen omdat ze veel geld kosten.”

Zulke teksten zijn door het hele museum geplakt, naast de Nachtwacht en Het straatje van Vermeer in de erezaal, naast sleutels en een haarlok in de bijzondere collecties, naast een twintigste-eeuwse jurk en een zeventiende-eeuws stilleven. Steeds wordt in grote letters een kwaal omschreven waarna een langere tekst het kunstwerk ontsluit als oplossing voor deze kwaal. Bij een kerkinterieur van Saenredam staat bijvoorbeeld als kwaal: „Mijn leven draait om drukke zaken, afleiding, chaos, Twitter.” Het schilderij biedt de oplossing: „Dit schilderij verspreidt een ietwat serieuze maar welkome boodschap: laat je niet afleiden, het kan je leven verpesten.”

Kunst is therapie, zo heet de interventie van de Britse filosoof Alain de Botton en de kunsthistoricus John Armstrong in het Rijksmuseum. Het is een poging hun gedachten uit hun boek Kunst als therapie in de praktijk te brengen. In dat boek stellen de twee mannen dat kunst door musea verkeerd wordt gepresenteerd: als een saaie opeenvolging van kunsthistorische stijlen. De Botton stelt voor kunst naar thema te presenteren: een afdeling met werken over de liefde, een over leed, een over angst et cetera, met werken van alle tijden en uit alle windstreken. Pas dan kan kunst doen wat het al eeuwen gedaan heeft: mensen helpen. Het leuke van De Botton is dat hij zijn ideeën altijd zo letterlijk uitwerkt. „Uit de manier waarop Manet naar asperges keek kunnen we lering trekken voor langdurige relaties”, schrijft hij bijvoorbeeld. Of: „Dit is waar we in het regenachtige Engeland het meest behoefte aan hebben”, bij een Californisch zwembadschilderij van David Hockney.

Wat vooral mist in de aanpak van kunst als therapie, is avontuur. De Botton noemt zijn zienswijze geen revolutie maar een een restauratie: zijn zienswijze gaat terug naar de oude Grieken, die donders goed wisten waar kunst voor diende, een wetenschap die we in de twintigste eeuw zijn kwijtgeraakt. Niemand weet meer wat kunst is. Waarom moeten wij in hemelsnaam kijken naar een zeeslag uit de zeventiende eeuw of een zwart vierkant uit de twintigste?

De Botton neemt wel twintigste-eeuwse kunst en vormgeving op in zijn boek en in de interventie in het Rijks – een abstract beeld van Richard Serra is een thuis voor zorgen en somberheid, de belettering van Schiphol is een symbool van de Nederlandse identiteit – maar doet niets met de zoektocht die de kunst van de twintigste eeuw nou net zo opwindend maakt. De cultus van het nieuwe wijst hij radicaal af. Er is geen verschil tussen Michelangelo en Malevitsj, tussen Rembrandt en Rothko. Ze willen ons allemaal helpen betere mensen te worden die in een betere wereld leven. Aan het eind van het boek trekt hij de uiterste consequentie van zijn aanpak: het ware streven van kunst moet zijn de behoefte aan kunst te verminderen. „Kunst is overbodig als de idealen waar kunst zich op richt werkelijkheid zijn geworden.”

Het siert museumdirecteur Wim Pijbes dat hij voor het zover is De Botton en Armstrong de kans heeft gegeven in zijn eerbiedwaardige instituut met hun gedurfde idee, dat menig heilig huisje omverhaalt, aan de slag te gaan, ook al beperkt dat zich nu tot wat ‘filosofische graffiti’ in de vaste opstelling, zoals De Botton het zelf noemt. Het probleem is alleen dat de teksten op de post-its van een verpletterende saaiheid zijn. Tijdens mijn tocht door het museum kostte het me zelfs moeite ze uit te lezen. Wat in het boek geestig is, is in de praktijk dor. Geen brille, maar Droogstoppel en bitter weinig hazenvellen – geen woord zet de verbeelding in gang, geen zin draagt bij aan het genieten. Kunst als levertraan. Het zal wel goed voor je zijn, maar o, wat is het vies.

In zijn inleiding voor de pers zei De Botton donderdag dat de boodschap van kunst het spreekwoord niet overstijgt. Het is alleen de kunst die boodschap zo weer te geven dat die hard aankomt. De beste schilderijen doen dat het sterkst. Misschien heeft De Botton zijn teksten zo droog en saai gemaakt om het effect van de kunstwerken te intensiveren, maar vaak schiet hij zijn doel voorbij. Hij verleidt niet, hij hamert. Als je niet zelf kunt ontdekken dat Saenredam de rust bevordert, komt die boodschap nooit hard aan en rent er nooit eens een haas voorbij.