Kairos. Een nieuwe bevlogenheid van Joke Hermsen

Nogal plotseling werd filosofe en romanschrijfster Joke Hermsen vier jaar geleden een bestsellerauteur. Vermoedelijk niet omdat mensen nu zoveel belangstelling hadden voor Ernst Bloch, Henri Bergson en de andere filosofen die in Stil de tijd behandeld werden, maar door de aantrekkelijkheid van haar betoog in dat boek. Het was een pleidooi om de tijd te bevrijden uit het harnas van de kloktijd, waardoor wij mensen ons weer meer konden verhouden tot onze ‘natuurlijke’ tijd – en ons dus ook wat onafhankelijker konden opstellen tegenover de economische werkelijkheid, die ons in het stramien van die zo uiterst efficiënte kloktijd dwingt. Het was een soort onthaasten voor highbrows.

Hermsen (1961) kreeg er de Jan Hanlo Essayprijs voor en werd blij binnengehaald in de esoterische boekenwereld, waar haar werd gevraagd het essay voor de Maand van de Spiritualiteit te schrijven. Maar zo’n succes vraagt natuurlijk vooral om een écht vervolgboek – da’s ook een economische wet.

Dat tweede boek is er nu en ook dat fladderde vorige week de bestsellerlijsten binnen: Kairos. Een nieuwe bevlogenheid. De titel ontleent het boek aan de jongste broer van Zeus, de God van het juiste moment. Daarmee is Kairos ‘een strategie om los te komen van die andere Griekse god van de tijd, Chronos geheten, die de uren telt en onverstoorbaar wegtikt [...] Waar Chronos staat voor continuïteit, betekent Kairos juist een tijdelijke onderbreking daarvan’.

We blijven in Kairos, kortom, dicht bij Stil de tijd, ook al omdat het boek vol staat met gedachten en citaten waar een weldenkend mens het onmogelijk mee oneens kan zijn. Zo haalt Hermsen een mooi stukje Hannah Arendt aan: ‘Het beginnen is het hoogste vermogen van de mens, politiek gezien staat het identiek met de menselijke vrijheid.’ Naast die gedachte van de geboorte als hoogste goed legt ze een ook door Arendt vaak aangehaald Plato-citaat uit De wetten: ‘Het beginnen is, omdat het zijn eigen beginsel bevat, een echte god die zolang hij zich onder de mensen begeeft en hun daden inspireert, alles weet te redden.’

Via die gedachten over ‘beginnen’ komt Hermsen tot een pleidooi voor enthousiasme en voor die ideeën die haaks op de gewone loop der dingen staan, waarna ze haar lezers in (soms eerder elders gepubliceerde) essays langs het werk van onder anderen Thomas Mann en Virginia Woolf leidt. Ook behandelt ze cultuurpolitiek en kunstbezuinigingen, waarbij ze overigens zelden zelf dwars op de gebeurtenissen gaat staan.

Want dat is de merkwaardige paradox van Kairos: het boek pleit voor het nieuwe, voor geboorte en enthousiasme – maar leest, ook al door de referateske stijl van Hermsen, vooral als een voortzetting van wat er al was. Maar dat is vaak best de moeite waard.