Deze gedichten zijn niet af. Ze leven!

‘Ik loop liever door brandnetels dan dat ik poëzie lees, laat staan schrijf’, schreef Ter Balkt. Dus bleef hij een eenling, maar inmiddels geldt hij als een van de allergrootsten en kreeg hij een monument van 1.800 pagina’s.

Tekening Paul van der Steen

Hoeveel overzicht moet je hebben om te kunnen zien dat een natuurgebied in brand staat? Vormt het ideale perspectief een garantie dat het vuur geblust zal worden? Of is het beter als alles in de as wordt gelegd, waarna bos en heide zich op eigen kracht herstellen? Werden bospercelen en woeste gronden vroeger in de gaten gehouden vanaf brandtorens, tegenwoordig vertrouwen we liever op helikopters en automatisering. Desondanks ging afgelopen week een fors deel van de Hoge Veluwe in vlammen op. Boswachters denken echter dat het gebied binnen enkele weken weer groen kleurt.

Dat H.H. ter Balkt (1938), een dichter die zich graag laat voorstaan op zijn Twentse wortels, de wereld voor catastrofes wil behoeden, blijkt uit de titel van het imposante boek waarin – voorlopig – al zijn poëzie is opgenomen. De dichter heeft zijn positie ingenomen op een brandtoren, omdat hij over meer dan één stem beschikt zelfs op alle beschikbare brandtorens tegelijk, en probeert wanhopig aandacht te trekken, maar hij beseft een roepende in de woestijn te zijn. In Uier van t oosten (1970) schreef hij, met een typerende mengeling van urgentie en zelfspot:

Hee hoor mij Ho

Hoor mij simultaan

op de brandtorens Hoor mij

adders en jullie uilen

die nog zwerft...

Leeg is het erf!

Dissel en distel, geen elegie.

Geen mens te bekennen, geen dier dat luistert, van brand is geen sprake, zelfs alle poëzie lijkt van het boerenerf verdwenen te zijn. Is deze onheilsprofeet niet gewoon de verkeerde man op de verkeerde plek? Schrijft Ter Balkt misplaatste poëzie?

Als dat het geval is, berust het op een weloverwogen keuze. Toen de dichter in 1969 debuteerde als Habakuk II de Balker, presenteerde hij zich reeds op de titelpagina als buitenstaander. Boerengedichten heette die bundel, ‘ofwel Met de Boerenbijl, bijeengelezen door zijn lintworm, 96 bladzijden verfomfaaid en bespat met spreuken, raadsels en verkrommingen’. Sterker nog, twee pagina’s verder zegt hij: ‘Ik loop liever door brandnetels dan dat ik poëzie lees, laat staan schrijf. Wie durft dat nog? Dit is dus geen poëzie. Dit is een oorlogsverklaring aan de dichters, de fossielen van een voorbij tijdperk’.

Wie zo begint moet niet raar opkijken als er niemand luistert. Verkondigde Lucebert twintig jaar eerder nog een ‘kleine mooie ritselende revolutie’, de aanzienlijk agressievere omwenteling die De Balker op het oog heeft, lijkt bij voorbaat kansloos. De anti-dichter leek voorbestemd een raaskallende eenling te blijven.

Een eenling is Ter Balkt inderdaad gebleven, maar aan weerklank heeft het niet ontbroken. In 1973 ontving hij de Herman Gorterprijs voor De gloeilampen / De varkens, en na de Jan Campertprijs (1988) en de Constantijn Huygensprijs (1998) volgde in 2003 de P.C. Hooftprijs. Niet alleen is de dwarse bard omstandig gelauwerd en daardoor in zekere zin gecanoniseerd, ook verklaren belangrijke dichters van latere generaties, zoals Mustafa Stitou, Alfred Schaffer en Els Moors, dat ze door hem geïnspireerd worden. Ze hebben gelijk, want betere poëzie dan die van Ter Balkt wordt in ons taalgebied niet geschreven.

Mechaniekje

Aan welke vereisten een goed gedicht moet voldoen, daarover bekvechten dichters en critici al eeuwen. Een gedicht zou een perfect mechaniekje zijn, een ongenaakbaar ding, de expressie van een getourmenteerd gemoed, een ontregelende strijdkreet of de neerslag van een kritisch zelfonderzoek. Voor Ter Balkt is er maar één criterium dat hout snijdt, en dat is de mate waarin de taal bezield is: ‘Ik zeg jullie, 1 woord van hartstocht in een schutting gekrast, bij de rode kolen, doet duizend verzen wit worden of ze nooit waren geschreven’. Daarbij gaat het niet zozeer om de emoties van de dichter, hoewel die een absolute voorwaarde zijn, als wel om een taal die de ziel van de wereld blootlegt, die het woord geeft aan bomen, varkens, uitgerangeerd gereedschap en straatstenen in oude Europese steden. De stem die ons vanaf de intussen afgedankte brandtorens bereikt weet zich ten diepste verwant met de rogge op de Usseler Es, met het paneel ‘de Hooiwagen’ van Jheronimus Bosch en de Freight Train Blues van Trixie Smith. In traditie gewortelde schoonheid en sociaal engagement, dat is wat deze poëzie te bieden heeft, in een verbluffende beeldtaal en een dynamische stijl die na een halve eeuw nog niets aan urgentie hebben ingeboet.

Ter Balkt heeft uitgesproken ideeën over zijn plaats binnen – eventueel naast – de culturele traditie van het Avondland, en dan speciaal het Laagland. Allereerst heeft hij het van meet af aan nodig gevonden zich af te zetten tegen de Vijftigers. Voor Lucebert kan hij nog wel respect opbrengen, maar voor diens idolate bewonderaars heeft hij geen goed woord over: ‘De roodkoperen kont van de kunst / wordt door velen gekust, / zo komen ook op de 60watts gloeilamp / vliegen en torren af bij miriaden’. Campert en Kouwenaar moeten het ontgelden, maar vooral Komrij is de gebeten hond, omdat hij een charlatan zou zijn die van literatuur een cynisch en betekenisloos spelletje heeft gemaakt.

Ter Balkts helden zijn kunstenaars uit vroeger eeuwen, waarbij vooral het Herfsttij der Middeleeuwen, om met Huizinga te spreken, en de vroege Renaissance zijn liefde hebben gewekt. In Boerengedichten wordt al verwezen naar de Brugse rederijker Anthonis de Roovere (ca. 1430-1482), in de Laaglandse hymnen wordt de lof gezongen van de Gebroeders van Limburg, Hans Memling en Sir Philip Sidney, Carel van Mander en Hendrick Avercamp. Het wekt dan ook geen verbazing dat Ter Balkt graag sonnetten schrijft, oorspronkelijk een dertiende-eeuwse vinding, zij het dat hij de regels van het genre geheel naar zijn hand heeft gezet. Zelfs heeft hij zich enkele malen gewaagd aan het rondeel, de rederijkersvorm bij uitstek. Zijn technische souplesse staat ook hier borg voor pure lyriek:

Oud gereedschap mensheid moe

zwierf door de zeeën en de landen

stem- en roemloos als contrabande

oud gereedschap mensheid moe,

zonk onder voetstap en haaientanden

sloot nerf en handvat, handgreep toe

oud gereedschap mensheid moe

stierf toegetakeld onder stranden

onder velden, pleinen, onder toe-

gesloten ogen, schedels, handen

werd ingemetseld achter wanden

als Suster Bertken droef te moe,

oud gereedschap mensheid moe.

Deze dichter heeft de complete literaire traditie in zich opgezogen, van de bijbelse profeten tot Majakovski, van Oud-Engelse raadsels tot de elegieën van Rilke, van de Occitaanse troubadours tot de blues van Bob Dylan.

Ezra Pound

Een van zijn meest verbijsterende projecten is de serie Anti-canto’s, een maar liefst veertig gedichten omvattende afrekening, als ik het zo mag noemen, met Ezra Pound. Diens poëzie roept bij Ter Balkt zoveel woede en fascinatie op dat hij probeert de Texaanse fascist in zijn eigen genre te overtreffen. Enkele van die gedichten zijn minstens zo ondoorgrondelijk als die van Pound, andere getuigen op indringende wijze van Ter Balkts betrokkenheid bij het bestrijden van onrecht, uitbuiting en de uitwassen van de bio-industrie:

‘Ja, een groot varken maken.

Een wereldomspannend varken.

Het product waarheid maken.’

Hoewel het in de meeste gevallen duidelijk is waar Ter Balkts sympathie ligt, is zijn poëzie verre van eenduidig. Liefhebbers van zijn werk genieten ervan elkaar met ronkende citaten om de oren te slaan, maar in feite is de interpretatie van het complexe oeuvre nog maar nauwelijks op gang gekomen. Het is gemakkelijk te wijzen op zijn rurale connecties, want die zijn evident, maar is het niet zo dat het platteland voor hem een mythe heeft kunnen worden dankzij de omstandigheid dat hij al decennia in een Nijmeegse nieuwbouwwijk woont?

Neem nu de gloeilamp, een tamelijk prozaïsch artefact waarover Ter Balkt in 1973 een reeks van ruim twintig gedichten schreef. Van een dichter die ageert tegen de vernietiging van het boerenland zou men niet verwachten dat hij enige tederheid kan opbrengen voor deze industriële producten, zeker niet als ze in bosgrond worden aangetroffen. Toch is dat wat we hier zien:

bij de varens en hun sporangium te gast

beter dan bij de blauwe uitlaatgassen

wat jullie uitblazende uitgeblazen lampen?

Door middel van een motto uit Boerengedichten wordt een associatief verband opgeroepen met de poëzie van Lucebert, de dichter van het licht, bovendien lijken de lampen soms een manifestatie van goddelijke verlichting of innerlijke warmte en helderheid te vertegenwoordigen. Daar staat tegenover dat de dichter zich alleen maar over de arme peertjes ontfermt omdat ze opgebrand zijn. Het zijn intrigerende kleinoden, deze epigrammen op dragers van kunstlicht, maar een overtuigende duiding van de reeks als geheel heb ik nog nooit gelezen. Kom op, neerlandici, waar blijven jullie?

Een extra probleem bij de interpretatie van dit oeuvre is de fundamentele onafheid ervan. De verzamelbundel is een voorlopige kristallisatie, niet alleen omdat Ter Balkt nog lang niet is uitgeschreven, maar ook omdat hij eenmaal geschreven gedichten de kans geeft met hem mee te groeien. Van sommige gedichten verschenen in de loop der jaren uiteenlopende versies. Zoals middeleeuwse hofzangers hun balladen steeds aanpasten aan de samenstelling van hun publiek, zoals Louis Armstrong en Teddy Wilson nooit dezelfde solo speelden, laat Ter Balkt gedichten rijpen en evolueren. Soms verandert een gedicht van gedaante om wat een criticus van een eerdere versie gezegd heeft, ongeldig te maken. Bij onderhavige editie is ervoor gekozen de laatste gepubliceerde versies van de gedichten op te nemen, maar wel in hun oorspronkelijke context. Dat is een vorm van onvermijdelijke geschiedvervalsing. Ik stel mij voor dat er uiteindelijk een digitale uitgave komt waarin de lezer de mogelijkheid krijgt de gedichten op het scherm van gedaante te laten veranderen.

Naar aanleiding van onvoltooide sculpturen van Michelangelo schreef Ter Balkt:

onaf, onaf; wat af is dat is al onaf

en zeker geldt dat voor wat onaf is;

vaak overtreft wat onaf is wat af is

De gedichten van Ter Balkt zijn onaf omdat ze levende organismen zijn. Het is, met een bijbels beeld, de lezer die de zaden doet ontkiemen:

Zaden aan de voetzool, vachten

(wind en duister) gekleefd, reizen

nachtenlang, laten uitgeput

van de tocht zich vallen, later

en groeien of sterven, reis

regels op dezelfde manier