De giften en het gif van de waanzin

Filosofie is een van de weinige plekken waar de meest afwijkende denkwijzen mogen bestaan. Daarom zijn Heideggers zwarte schriften nog steeds relevant en probeert Wouter Kusters een brug te slaan tussen waanzin en filosofie.

Arno Rafael Minkkinen: Zelfportret Helsinki 1976
Arno Rafael Minkkinen: Zelfportret Helsinki 1976

Het door Wouter Kusters in zijn jeugd gelezen sciencefictionboek Stersteen van Roger Zelazny, waarin een alles spiegelende Rhennius-machine voorkomt, heeft een blijvende indruk achtergelaten. Het is een machine die alles wat erin wordt gestopt spiegelt en ook als je er zelf instapt kom je er gespiegeld uit. Zelf merk je daar weinig van, maar de buitenwereld beschouwt je als omgedraaid – als ‘verkeerd’– en begrijpt niets van wat je aan de andere kant allemaal denkt en doet. Volgens Kusters zijn mensen die als gevolg van drugsgebruik, plotseling afgebroken (liefdes)relaties of aangeboren afwijkingen psychotisch zijn (geweest), door de Rhenniusmachine gehaald. Ze stuiten in hun ‘normale’ omgeving vooral op onbegrip. De buitenwacht beschouwt bijzondere aspecten van de gespiegelde wereld als afkomstig uit een abnormale waanwereld, waaruit de psychoot met therapieën en psychofarmaca naar de normale wereld moet worden teruggehaald. Maar met dat laatste maken de deskundigen alles kapot en behangen ze de wereld met een ‘alledaagse grauwsluier van stigma’s en slachtofferschap, die ze ook nog realiteit durven te noemen’.

Met Filosofie van de waanzin probeert de filosoof en ervaringsdeskundige Kusters, die zelf twee psychotische periodes tot aan de isoleercel toe achter de rug heeft, een brug te slaan tussen beide elkaar vreemde werelden door te verwoorden wat er aan gene zijde aan de hand is om zo ‘de rijkdom van de waanzinnige wereld’ te behouden. Een psychose betekent lang niet altijd gekte en verwarring, maar kan een spirituele reis zijn en leiden tot een mystieke openbaring, wat een andere weg verlangt dan ‘de weg die geplaveid wordt door psychiaters en hersenonderzoekers die ook nog met de farmaceutische industrie verstrengelde belangen hebben’.

Het is een zware opgave die Kusters zichzelf stelt: immers ook de taal is in de waanwereld van de psychoot gespiegeld en kan als communicatiemiddel ernstig tekortschieten, omdat de op razendsnelle associaties gebaseerde waantaal door de buitenwereld als wartaal wordt ervaren. Tenslotte hebben ook gelouterde ‘waanzinnige’ filosofen als Friederich Nietzsche (1844-1900) en Ludwig Wittgenstein (1889-1951) met hun geschriften geprobeerd

het onzegbare te zeggen, maar de eerste kwam tot de slotsom dat alleen de muziek dat kan, en de tweede vond dat er daarover alleen maar gezwegen kan worden terwijl het hem juist om het onzegbare gaat.

Tijdsbegrip

Kusters’ boek is uiterst boeiend, ook al is niet alles even fascinerend om te lezen. Sommige ter zake doende teksten uit de ‘gewone’ filosofische wereld, zoals de beschouwing over het tijdsbegrip bij Husserl en het ‘niet’ bij Sartre en Heidegger, verlangen van de niet-filosofische geschoolde lezer wel enig doorzettingsvermogen, maar vooral de teksten van de andere kant houden de aandacht permanent gevangen. In de waan produceert het schijnbaar onbeheersbare brein in een stream of consiousness razendsnelle associaties die niettemin een coherente indruk achterlaten: ‘Van het ene domein schieten we naar het andere met alle spirituele en emotionele transities van dien. Keuvelen we eerst over koffie, thee, suiker en een koekje, dan opeens schieten we door naar hogere politiek, want het lepeltje ligt ‘links’ of ‘rechts’ van het kopje, afhankelijk van het standpunt. En van standpunt naar beschouwingen over andere punten, cirkels en lijnen. En de vorm van de kopjes, de woorden op de suikerzakjes, de gezichtsuitdrukking van degene die de koffie schenkt. ‘Suikerzoet!’ Elders vreest Kusters in een angstwaan aids te hebben als hij het door iemand toegewenste ‘eet smakelijk’ interpreteert als ‘aids makelijk’, en ‘makelijk’ de betekenis van ‘makkelijk maakbaar’ krijgt. Het lijkt chaos, schrijft Kusters, maar in tegenstelling tot de strikt logische argumenten bij Wittgenstein, doen voor de psychoot ook alle non-causale verbanden mee. Zodra je in de waanzin twee dingen met elkaar associeert, is er ‘iets echts’ gecreëerd. Aan iets denken is iets scheppen. Een woord bedenken is een zaak uitvinden. Een betoog houden is een wereld creëren.

IJlheid

Uit de intensiteit van de waanzinnige wereld leidt de psychoot soms een soort ‘hyperwaarheden’ af. Sterke intensiteit doet sterke waarheid vermoeden. ‘Het moet wel kloppen, want het gevoel was zo sterk.’ Uit een intense ervaring van tijdloosheid kan een waanzinnige achteraf afleiden dat je ‘in de waanzin door de tijd kan reizen’. Maar is dat wel zo waanzinnig?

Vier weken voor zijn eigen dood schreef één van de grootste natuurkundigen in een troostbrief aan de familie van een overleden vriend: ‘Michele Besso is iets eerder dan ik vertrokken uit deze vreemde wereld, maar dat betekent weinig. Voor ons fysici, is het onderscheid tussen verleden, heden en toekomst hooguit een hardnekkige illusie, niet meer.’ Wat zou er met de relativiteitstheorie zijn gebeurd als Einstein met psychofarmaca was gedrogeerd om hem van zijn waan te genezen?

Kusters boek bestaat uit vier delen, waarbij elk deel een specifiek soort waan behandelt die op zijn beurt weer is verbonden met de vier elementen uit de alchemie en een getal. In volgorde van oplopende ijlheid: de Ø-waan met de aarde en de nul, de unowaan met het water en de een, de zijnswaan met de lucht en het veel, en de de ?-waan met het vuur en de oneindigheid. Aan het eind loopt het uit op Plato’s kwintessens, de alles doordringende en omvattende vijfde essentie, het kristal, de steen der wijzen, Plotinos’ Ene of het Plan. Over de vraag voor wie het boek is bedoeld schrijft Kusters: ‘voor degenen die op een of andere manier waanzinnig waren, zijn of zullen worden, hun familieleden, vrienden, bekenden, psychiaters en alle andere mensen die met waanzinnigen te maken hebben en alle filosofisch geïnteresseerde lezers. Dit boek gaat immers over de vraag wat de mens is en kan zijn, wat de menselijke grenzen en grensoverschrijdingen in ervaring en taal kunnen betekenen – een vraag die niet alleen interessant is voor filosofen die zichzelf wijsgerig antropoloog noemen, maar ook voor fenomenologen, postmodernen, metafysici en andere filosofen. De allerbreedste doelgroep omvat al degenen die geïnteresseerd zijn in spirituele aangelegenheden, alle poëtisch of literair ingestelde mensen die nieuwsgierig zijn naar de reikwijdte en extremen van de menselijke geest.’ Kusters besluit zijn boek met: 'Ik heb mijn best gedaan om memoires te schrijven met kop en staart, om de mensen te laten delen in de giften – en in het gif – van de waanzin, met ook in het achterhoofd het waanzinnige doel om te laten zien dat de waanzin zo gek nog niet is.’