Dit nooit meer, zeiden kledingfirma’s een jaar geleden. Meenden ze dat?

Een jaar geleden kwamen in Bangladesh 1.130 mensen om bij het instorten van een kledingfabriek // Het Westen, dat er tegen een schijntje produceert, beloofde schadevergoedingen // Tijd om de balans op te maken

Hier, op Rana Plaza in de stad Savar, stond de kledingfabriek die een jaar geleden instortte.
Hier, op Rana Plaza in de stad Savar, stond de kledingfabriek die een jaar geleden instortte. Foto Hollandse Hoogte

Vandaag is het een jaar geleden dat het Rana Plaza-gebouw, een slecht gebouwde betonnen kolos waarin vijf kledingfabrieken op elkaar waren gestapeld, instortte. Het was een van de grootste industriële rampen uit de geschiedenis. Zo’n 1.130 mensen, vooral jonge vrouwen, kwamen om het leven in Savar, even buiten de Bengaalse hoofdstad Dhaka.

Iedereen besefte dat de ramp niet op zichzelf stond. Het wemelde in Bangladesh immers van de gammele fabrieken, waar goedkope kleding werd gemaakt die gretig aftrek vond bij vooral westerse firma’s. De winst belandde in de zakken van Bengaalse fabrikanten en westerse kledingfirma’s. De veiligheid van de ruim vier miljoen Bengaalse arbeiders – voor 80 procent jonge, tamelijk onmondige vrouwen – werd daaraan in veel gevallen ondergeschikt gemaakt.

Meteen na ‘Rana Plaza’ buitelden buitenlandse firma’s en regeringen over elkaar heen met schone voornemens om de slachtoffers van de ramp en hun nabestaanden bij te staan en de veiligheid te verbeteren. Ook de Bengaalse regering en de fabriekseigenaren beloofden hun beste beentje voor te zetten. Wat is daarvan een jaar later terechtgekomen?

De slachtoffers en hun nabestaanden zijn er bekaaid van afgekomen. Er is een compensatiefonds opgericht, waarvoor zo’n 40 miljoen dollar nodig is. Maar volgens Clean Clothes, een organisatie die campagne voert voor meer veiligheid en betere lonen in de kledingindustrie, is er nog maar 15 miljoen dollar binnen.

Het enige westerse bedrijf dat ruimhartig heeft gestort is het Britse Primark: zeven miljoen dollar. C&A gaf 500.000 euro, een aantal Amerikaanse bedrijven en hulporganisaties gaven samen 2,5 miljoen dollar. Veel overlevenden, vaak kostwinners, zijn invalide geworden en kunnen niet meer werken. Ook hebben ze vaak hoge medische kosten. Velen werden afgescheept met enkele honderden dollars. Zij en hun gezinnen verkeren in grote moeilijkheden.

Positiever is dat de vrees van veel Bengalen dat grote westerse firma’s hun kleren in andere lagelonenlanden zoals Cambodja of Vietnam zouden laten maken, niet is uitgekomen. Het overgrote deel is gebleven. Ook omdat Bangladesh nog altijd het goedkoopst is, met een uurloon van omgerekend ruim 15 eurocent, 2 cent minder dan Cambodja en 10 cent minder dan Indonesië.

Een lichtpunt is ook dat de werknemers veel alerter zijn op hun eigen veiligheid. Mobieltjes en internet maken het makkelijker informatie over wantoestanden te delen. Fabriekseigenaren moeten beter opletten. Een tweede Rana Plaza is zo minder waarschijnlijk geworden.