Stop missies zoals Mali nu Europa wordt bedreigd

Militaire missies in verre buitenlanden? Nee, liever een daadkrachtige verdediging van de Europese achtertuin, betoogt Stephan de Vries.

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron.
Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

De crises op de Krim en in Oekraïne zijn voor velen aanleiding om te pleiten voor meer investeringen in defensie. Begrijpelijk, maar urgenter is het maken van harde strategische keuzes. Dat is de afgelopen twee decennia niet gedaan en dat beleid wreekt zich nu.

De Russische inval in de Krim verliep gecoördineerd, soepel en snel. Binnen een paar dagen werd het glashelder dat een van de grootste dreigingen voor Europa zich nog altijd aan de rand van het eigen grondgebied bevindt. Niet ‘ver van ons bed’ in Afghanistan, Mali of Soedan, maar direct in de achtertuin van een aantal EU-lidstaten en NAVO-bondgenoten.

Alles duidt erop dat Poetin het niet zal laten bij de Krim alleen. Europa kan daar te weinig harde macht tegenover stellen. Ondertussen trekken wel honderden Nederlandse militairen voor twee jaar naar Mali. Deze mislukte staat – 500 euro jaarinkomen per hoofd van de bevolking en 70 procent analfabetisme – zal nooit een substantiële bedreiging voor de veiligheid of politieke onafhankelijkheid van welke EU-lidstaat dan ook vormen. Wat zich nu wreekt, is dat er jarenlang zonder duidelijk strategisch kader is nagedacht over veiligheid.

In de Koude Oorlog was de strategie duidelijk. Het doel was de onafhankelijkheid van West-Europa; een omvangrijk dienstplichtigenleger met tanks en gevechtsvliegtuigen moesten ons beschermen tegen een communistische invasie. Maar toen viel de Muur. Zonder directe dreigingen leek Nederland veilig en defensie zocht bestaansrecht om de bezuinigingsdans te ontspringen. Dat werd gevonden in overzeese missies ter handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, recentelijk vooral tegen terroristen in instabiele landen. Het omvangrijke dienstplichtigenleger werd getransformeerd en het concept van het ‘Zwitserse zakmes’ is de nieuwe standaard. Een afgeslankte veelzijdig inzetbare krijgsmacht moet tegenwoordig overal en altijd kunnen worden ingezet en zo nodig kunnen meedraaien in het hoogste geweldsspectrum.

Zo trokken Nederlandse missies sinds 2004 langs Irak en twee Afghaanse provincies. Stabiliteit daar zou van groot belang zijn voor Nederland. Maar terwijl Irak nog steeds op de rand van een burgeroorlog staat en de Afghaanse regering slechts bij de gratie van westerse donoren overleeft, worden de laatste troepen teruggetrokken. Nederlandse militairen gaan nu voor twee jaar naar Mali.

Soft en ambitieloos

In feite is na de Koude Oorlog het strategisch besluitvormingsproces omgekeerd. In plaats van vitale belangen te identificeren, te kijken door welke actoren die mogelijk worden bedreigd, en daartegen middelen ter beschikking te stellen, gebeurde iets curieus. Eerst werd het middel geïdentificeerd (de expeditionaire krijgsmacht). Vervolgens werd een dreiging gezocht die met dat middel bestreden kon worden (instabiliteit in het land dat in de spotlights van de internationale gemeenschap staat), en een Nederlands belang geformuleerd (stabiliteit ter plaatse).

Onder de laatste bezuinigingsrondes is de krijgsmacht zich ook in de troepenstructuur nog verder gaan toeleggen op stabilisatiemissies. Vooral de landstrijdkrachten zijn eigenlijk alleen nog inzetbaar tegen een lichtbewapende tegenstander. In plaats van een bataljon lichte infanterie op te heffen gingen de twee tankbataljons en tientallen net aangeschafte CV-90-pantservoertuigen eruit. Het hebben van een veelzijdige krijgsmacht lijkt jarenlang het excuus te zijn geweest om ons het hoofd niet te hoeven breken over moeilijke strategische kwesties. Dat beleid komt nu als een boemerang terug. Een aantal partijen in de Tweede Kamer wil nu meer geld voor de krijgsmacht. Maar ook met extra budget voor defensie gaan we weinig macht tegenover de politiek-militaire druk van Poetin stellen. Een Zwitsers zakmes maakt nauwelijks indruk op de Russische beer.

Het wordt nu op pijnlijke wijze duidelijk dat de tijd is gekomen om de vitale belangen van Nederland helder te (her)formuleren. Denk aan territoriale integriteit en politieke onafhankelijkheid van ons land, die van EU-lidstaten en NAVO-bondgenoten. Vervolgens dienen de middelen te worden gekozen om die belangen te verdedigen en ten slotte moet doortastender besloten worden tot inzet. Denk aan een bijdrage aan de twee brigades West-Europese NAVO-troepen waar Polen als signaal van solidariteit tevergeefs om vraagt.

Pleiten voor een dergelijke heldere, minder omvangrijke invulling van het defensiebeleid – waarbij afgebakende nationale belangen in enge zin weer centraal komen te staan – wordt al snel afgedaan als onrealistisch en soft. ‘Ambitieloze nikserigheid’ die alleen maar bijdraagt aan de teloorgang van de internationale positie van Nederland. De vraag die zich opdringt, is welk beleid nu eigenlijk soft en ambitieloos is. Vrijblijvende kortlopende missies in plaatsen waar we geen vitale belangen hebben, of een heldere en daadkrachtige verdediging van onze eigen Europese achtertuin?