Orkest zoekt milde leider, met veel visie

Gisteren kondigde Mariss Jansons zijn vertrek aan als chef van het Koninklijk Concertgebouworkest. Wie moet zijn opvolger worden? En hoe lang zal de zoektocht duren?

Bij zijn benoeming in 2002 gold Mariss Jansons als een atypische nieuwe chef-dirigent: te oud (59), als hartpatiënt te weinig fit voor de vele tournees en in zijn repertoire niet erg ‘Amsterdams’, dat wil zeggen geen expert in de muziek van Mahler, Strauss en Bruckner.

En toch was Jansons onder de orkestleden dé favoriet voor de opvolging van Riccardo Chailly. Hetgeen onderstreept dat hun gevoel de beste graadmeter is voor een succesvol chef-schap.

Het Concertgebouworkest is internationaal bezien een toporkest, maar het is ook een orkest met een ‘naam’. Het heeft een unieke organisatiestructuur, waarin musici zitting hebben in het bestuur. Over de nieuwe chef-dirigent hebben zij dus daadwerkelijk iets te zeggen. Dat werkt door in de groepspsychologie. Het orkest heeft uitgesproken meningen over de dirigenten met wie wordt samengewerkt en kan iemand maken (zoals laatst bij het succesvolle debuut van de eigen ex-slagwerker Gustavo Gimeno) en breken. Van Simon Rattle is bekend dat hij na één desastreuze samenwerking in 1986 nooit meer wenste terug te keren. Op de rentree van de internationaal furore makende Jaap van Zweden wordt nog steeds gewacht. Christian Thielemann, technisch briljant maar berucht opvliegend, werd juist daarom net niet de opvolger van Chailly.

Wat moet een Amsterdamse chef allemaal in huis hebben? Hij moet de musici ‘zien’ als de internationale topspelers die zij zijn en ze de nodige vrijheid gunnen. Te veel bescheidenheid (David Afkham, Semyon Bychkov) kan funest zijn, en te veel praten werkt averechts. Wel vereist is een visionaire blik op het grote, romantische repertoire, waardoor de musici geïnspireerd worden tot hun beste spel.

Bestaat zo’n fijngevoelig en toch superieur dirigent überhaupt? En zo ja: is hij beschikbaar?

Van de dirigenten met wie het orkest regelmatig samenwerkt, valt het gros af. Herbert Blomstedt: te oud. Robin Ticciati: te jong. Net als de internationaal geroemde en brede Pablo Heras-Casado en nog wat talentvolle dertigers. (Tugan Sokhiev). Bychkov, Harding, Jurowski, Luisi, Morlot, Nott, Robertson: te alledaags. Gergjev: te omstreden. Dudamel? Te duur, waarschijnlijk. Een vrouw? Onwaarschijnlijk, al stond Xian Zhang wel twee keer succesvol voor het orkest.

Jansons kondigde zijn vertrek – komend seizoen al – op ongewoon korte termijn aan. Dat is relatief gunstig (of strategisch). In 2018 dreigt een stoelendans in dirigentenland. Dan begint bij de Berliner Philharmoniker een nieuwe chef en zijn er aflopende chefscontracten bij het orkest van de Bayerische Rundfunk (tenzij Jansons langer blijft), het Rotterdams Philharmonisch, de Staatskappelle Dresden, enzovoorts.

Het probleem dat internationaal speelt, is dat er weinig topdirigenten beschikbaar zijn met de juiste mix van ervaring en vitaliteit. Bij het Residentie Orkest hebben ze lang vergeefs naar een geschikte chef gezocht. Oplossing: twee bijna-chefs voor ouder en nieuwer repertoire. Ook het Rotterdams Philharmonisch opteerde een tijd voor zo’n ‘teamvariant’. In afwachting van de ideale chef is dat scenario voor het KCO nu de meest logische optie. Herstel de band met Haitink voor méér weergaloze Bruckners, vraag Fischer voor Mahler, Jansons voor Strauss en Richard Egarr of Jan-Willem de Vriend voor oude muziek. En voor de nodige publieksverbreding? Een bevlogen jong dirigent als Antony Hermus.