Het competitieve zat altijd al in me

Michaela DePrince werd als vierjarige wees uit Sierra Leone gehaald. Vijftien jaar later is ze een succesvolle ballerina. Dit voorjaar speelt ze in ‘Het Zwanenmeer’.

foto roger cremers

Haar moeder is gestorven van de honger en haar vader is neergeschoten tijdens de burgeroorlog in Sierra Leone. Dat werd haar Amerikaanse adoptieouders verteld toen ze Michaela DePrince (19) als ziek, vierjarig meisje uit een weeshuis in Sierra Leone haalden en meenamen naar New Jersey. DePrince lijdt aan de pigmentafwijkende huidziekte vitiligo en niemand anders wilde haar in die tijd adopteren.

Het is een verleden waar ze niet over wil praten. Dat was ook de voorwaarde voor het interview. Toch lukt het haar niet. Ze kan niet vertellen wie ze is en wat ze doet, zonder haar geschiedenis hierbij te benoemen.

DePrince (19) traint zich een slag in de rondte als ballerina van Young Company, een jonge talentengroep van het Nationaal Ballet, in Amsterdam. Ze doet dit acht uur per dag, soms zes dagen per week. Op veel avonden toert ze door het land. Een leventje waar ze stiekem sinds haar vijfde al van droomt, sinds ze beelden zag van De Notenkraker en zelf ook wilde dansen. Ze geniet het meest van die kleine bewegingen waarmee ze mensen ontroert. „De ene dag ben je een historisch figuur, de andere dag een prinses, je kunt steeds een andere rol vertolken en toch jezelf blijven.”

Ze vertelt over de tegenstelling in de kunst van de balletdans. „Je moet sterk zijn maar tegelijkertijd ook zo licht als een elfje.” Het is mentaal en lichamelijk uitputtend, zegt ze. Mentaal omdat je de hele dag naar jezelf kijkt in een spiegel. „Je ziet meisjes in je klas die nog dunner, nog fijner zijn. Die nog meer aandacht krijgen van de docent.” En fysiek omdat de bewegingen zo onnatuurlijk zijn. „Je lichaam is er niet voor gebouwd om de houdingen aan te nemen die wij doen.”

Van jongs af aan reist ze de wereld over en danst DePrince in befaamde balletgroepen. Ze speelt nu Het Zwanenmeer en Sleeping Beauty.

Waar ze het voor doet? De vlinders. „Dat gevoel dat je krijgt wanneer je een jongen leuk vindt. Het gevoel blijft na een tijdje nog even sterk en bijzonder.” Dat heeft ze tijdens een optreden. Of erna, waneer mensen naar haar toekomen en vertellen dat ze door een beweging zijn geraakt. Of wanneer ze iets nieuws leert tijdens de training.

Maar het zijn niet alleen vlinders die ze voelt in haar buik. Ze is ook heel onzeker. „Ik heb een hekel aan mijn lichaam. Ik houd niet van mijn armen en benen. Ze zijn te gespierd.” En ze denkt dat ze nooit goed genoeg is om met de mensen te werken met wie ze danst. Vooral als ze de oudere, meer ervaren dansers ziet bewegen.

Het is al moeilijk om op oudere leeftijd het gevoel te hebben dat je nooit goed genoeg bent. Hoe ga jij daar al zo jong mee om?

„Ik schrijf het iedere dag van me af in een dagboek. Dat doe ik al sinds ik klein ben. Als ik stukken teruglees van vroeger merk ik wel dat ik ouder ben geworden. Ik word steeds minder onzeker. En vooral veel opener.”

Ben je ook open in je dans?

„Ja. Dat moet soms zelfs. Als je op dit niveau danst, moet je wat er in je dagelijks leven gebeurt ook gedeeltelijk meenemen in je dans. Mensen lezen dat gevoel dan door je lichaamsbewegingen. Dan sta je in direct contact met het publiek.”

Maar stel je gaat door een zware periode dan kun je toch niet op het podium staan huilen?

„Heb ik weleens gedaan.”

Wanneer?

„Ik heb een broertje verloren aan aids toen ik tien jaar oud was. Ik heb hem eigenlijk maandenlang zien sterven. Die pijn heb ik vervolgens opgesloten. Totdat ik een keer een rol moest spelen waarin ik ook dood ging. Toen werd ik weer met die tijd geconfronteerd. Ik heb ik alles eruit gegooid. Het was overdonderend, maar ook fijn.”

Is het belangrijk om oprecht zijn om in je dans te kunnen overtuigen?

„Ik denk het wel.” Ze is even stil. „Voor mij persoonlijk wel. Ik dans er ook beter door. We kunnen niet praten wanneer we op het toneel dansen. Maar we moeten toch een verhaal vertellen. En dat verhaal kan soms beter overgebracht zijn wanneer we ons gevoel meegeven. ”

Heb je er ooit aan gedacht dit los te laten en iets totaal anders te doen met je leven?

„Ik heb een tijdje aan wedstrijdzwemmen gedaan op hoog niveau, waarschijnlijk zou ik daar mee doorgaan als ik geen balletdanseres was geworden.”

Weer iets competitiefs. Kun je niet veel meer genieten van dans of in dit geval zwemmen als het geen wedstrijd is.

„Nee, juist niet. Dat competitieve heeft altijd al in me gezeten.”

Leg eens uit.

„Ik heb mensen altijd het tegendeel moeten bewijzen. In het weeshuis hoorde ik als kind altijd dat niemand mij wilde vanwege mijn huidaandoening. Later toen ik in de Verenigde Staten woonde en balletdanseres wilde worden hoorde ik dat het mij toch niet zou lukken. Ik zou net als alle andere gekleurde vrouwen uiteindelijk dik worden en te grote dijen en borsten krijgen voor balletdans. Ik moet mijn hele leven al bewijzen dat ik er wel toe doe. Ik moet daarom de beste worden. Dat gevoel heb ik nog steeds.”

Met alles?

„Ja.” Ze giechelt en kijkt voor zich uit. Een paar tafels verderop, in de kantine van het Nationaal Ballet-gebouw, wacht haar vriendje geduldig tot ze klaar is met het interview. „Ook met jongens bijvoorbeeld. Als ik een jongen zie die ik leuk vind dan moet ik hem krijgen.”

Hoe leer je dan met tegenslag om te gaan?

„Hoe bedoel je? Ik heb nog niets bereikt.”

Er zijn waarschijnlijk vele duizenden meisjes over de hele wereld die willen doen wat jij doet.

„Ik focus veel op wat ik niet goed doe. Daarom voelt het niet alsof ik iets heb bereikt. Op een dag ga ik bereiken waar ik van droom. Ik wil eerste solist worden. En ik wil in Sierra Leone een kunstschool openen waar andere kinderen met mijn achtergrond met kunst in aanraking kunnen komen. Zij kunnen dan ook met bijvoorbeeld ballet hun verdriet uiten en plezier maken. Het kan hun leven ook redden.”