Een eigen show achter de schermen

Eerst deed de opnameleider het publiek erbij, nu is er een ‘publieksopwarmer’ // Er zijn er acht van in Nederland, allen man // „Wij moeten alleen maar pieken, pieken, pieken

Als de publieksopwarmers een zin beëindigen is het bijna verleidelijk om in gejuich of applaus los te barsten. Ze zijn enthousiast, ad rem, grapje tussendoor – mannen om vrolijk van te worden. En die stemmen. Sonoor en vol geestdrift. „Als jij een schuchter en verlegen typje bent, is dit niks voor jou”, zegt Jaco Kirchjunger (45), de eerste publieksopwarmer van Nederland. „Je moet het altijd al leuk hebben gevonden om tussen de schuifdeuren te staan.” Kirchjunger zorgt er sinds 22 jaar voor dat het publiek zich tijdens televisieopnames naar behoren gedraagt — The Voice, Ik hou van Holland en RTL Late Night zijn vaste klanten.

Vroeger, voor de komst van commerciële televisie in 1989, deed de opnameleider het publiek er een beetje bij, vertelt Ronald van der Woude (47), sinds eind jaren negentig werkzaam bij shows als Lingo. „Dan was het zo van: als ik mijn klapbord of krantje omhoog doe, gaan jullie los. En naar beneden betekent stilte.”

In de shows die John de Mol en Joop van den Ende naar de Nederlandse tv brachten, was voor publiek een belangrijke rol weggelegd; die van sfeermaker. De mediamagnaten besloten dat toeschouwers sturing nodig hadden. De publieksopwarmer ontwikkelde snel van iemand die het publiek alleen instrueert en de spelregels uitlegt, tot een entertainer met een eigen show achter de schermen.

Ze fokken het publiek op

Van den Ende en De Mol hebben het beroep niet zelf bedacht; in de VS was het allang een bekend fenomeen. Inmiddels is het daar uitgegroeid tot „een idioterie van jewelste”, zegt Van der Woude. „Bij David Letterman maken ze het publiek knettergek. De gasten worden van foyer naar foyer gesluisd. Nu zijn we er eindelijk, denken ze steeds. Niet dus. Ze raken he-le-maal opgefokt. Als het publiek dan eindelijk bij de opnames is, volgt op iedere scheet die Letterman laat een bulderlach. Dat is niet echt.”

Nee, dat is niet de stijl van de Nederlanders. Het mag met wat nuchterheid, een droge opmerking hier en daar. Van der Woude: „Het moet voor het publiek duidelijk zijn dat ze televisie maken en niet thuis op de bank zitten met een slokkie en een knabbeltje, ze moeten een actieve houding hebben.” Niet dat de heren – vrouwelijke opwarmers bestaan voor zover bekend niet — wars zijn van een potje spektakel. Ze staan toch een publiek op te jutten. Kirchjunger: „We houden er allemaal van om in het middelpunt van de belangstelling te staan.”

Veel programma’s, zoals Sterren Springen, vragen om een „stukje performance”, zegt Ben Brand (51), die twintig jaar ervaring heeft. „Ik ben erg van de muziek. Als ik het nummer ‘Tsunami’ opzet (van DVBBS & Borgeous, red.), weet ik dat mensen uit hun dak gaan.” Maar als het publiek naar hun plek moet lopen kiest hij juist voor een rustig nummertje. „Anders wordt de tent afgebroken.” Brand doet geen twee uitzendingen hetzelfde. „Je hebt heel veel publiek dat steeds terugkomt. Ik wil iedereen een goede tijd bezorgen.”

Rob van Rossum is sinds twaalf jaar publieksopwarmer en doet behalve Miljoenenjacht ook Een tegen honderd, De slimste mens en So You Think You Can Dance. Net als veel van de opwarmers knoopt hij graag praatjes aan met het publiek. „Bij Miljoenenjacht vraag ik bijvoorbeeld waar mensen vandaan komen. Is dat Schin op Geul, vraag ik: wie is daar nou de lokale BN’er? Daar zeggen ze altijd wel iets op. ”

Geen clown Bassie

Niemand heeft de kinderdroom om publieksopwarmer te worden, het komt toevallig op je pad. Van der Woude had zichzelf aangeboden als presentator bij RTL. „Eind jaren negentig stuurde ik een brief naar RTL: ‘Jongens, jullie moeten mij hebben voor presentatie.’ Ik denk: ik schiet hem gewoon af, in the blind, ik zie het wel.” Zo kwam Van der Woude bij televisie terecht. Eerst als ‘assistent in beeld’ bij Love Letters. „Deurtje open, deurtje dicht. Strak in pak, je kent het wel.” Tijdens die opnames leerde hij Jaco Kirchjunger kennen, die toen al een poosje publieksopwarmer was. „Goh, leuk wat jij doet, zei ik tegen hem. En hij zei: dit is echt iets voor jou.” Via via kwam hij toen bij Lingo terecht. „Die mensen gaan niet vanzelf ‘groen, groen, groen’ gillen.”

Brand is gewend aan verbazing als hij over zijn beroep vertelt. „Mensen denken dat het publiek vanzelf enthousiast wordt. Ze kunnen zich niet voorstellen dat het een echt beroep is.” Er is geen officiële opleiding of naam voor het vak. ‘Publieksopwarmer’ is een titel die vooral door leken wordt gebruikt. Soms heet het ‘applausmeester’ en in het mediawereldje worden ze ‘warming-uppers’ genoemd. Of publieksentertainer, zegt Brand, „maar dan voel ik me zo’n clown Bassie”. Het is goed dat mensen niet weten dat we bestaan, zegt Kirchjunger. „Het hoort bij de illusie die tv creëert.”

Constante adrenalinekick

Publieksopwarmers zijn doorgaans van zichzelf al lekker amicaal, zegt Van der Woude. Maar er komt meer kijken bij het beroep dan alleen een beetje lollig doen, benadrukken alle opwarmers. „Spreken voor publiek hoort samen met trouwen, kinderen krijgen en doodgaan bij de grootste angsten die de mens kent”, zegt Kirchjunger. Zijn eerste klus was voor Prijzenslag van Hans Kazàn. „Er zat tweehonderd man op de tribune, hysterisch waren ze, want ze konden wat winnen. Ik was doodnerveus. Ik dacht: straks komt er iemand naar beneden rennen en krijg ik een klap voor mijn bek.” Zulke gedachtes gaan nog steeds door hem heen.

Ook fysiek is het zwaar, zegt Van der Woude. „Vrienden denken soms dat het makkelijk verdienen is, omdat een show opnemen hooguit een paar uurtjes duurt. Maar mensen op kantoor kunnen naar toilet, een telefoontje plegen. Wij moeten alleen maar pieken, pieken, pieken. Een show is een constante adrenalinekick.” Het zal niet lang meer duren voordat de bestaande poule van opwarmers verjongt, denkt Van der Woude. „Ik kan dit niet tot mijn 67ste blijven doen. Het is doodvermoeiend.”