Breek dat Russische gasmonopolie

Een energieverbond in Europa als antwoord op de afhankelijkheid van gas uit Rusland zou heilzaam zijn voor de geopolitieke verhoudingen, meent de Poolse premier Donald Tusk.

illustratie ruben l. oppenheimer

Ongeacht hoe de impasse in Oekraïne zich ontwikkelt, één les is duidelijk: een te grote afhankelijkheid van Russische energie maakt Europa zwak. En Rusland verkoopt zijn hulpbronnen niet goedkoop – tenminste niet aan iedereen.

Dit is uiteraard elementaire economie. Een dominante leverancier heeft de macht om de prijzen te verhogen en het aanbod te beperken. Deze marktverstoring is eenvoudig te corrigeren. Europa moet de Russische monopoliepositie beantwoorden met een Europese instelling die belast wordt met de aankoop van zijn gas.

Als het eenmaal zover is, moet Europa zich de tijd gunnen om het Russische gasmonopolie te doorbreken en de vrijemarktconcurrentie te herstellen. Natuurlijk zal dit vereisen dat de Europese regeringen een eensgezind standpunt innemen. Maar zulke staaltjes van coördinatie zijn wel eerder verwezenlijkt.

De EU werkt aan de vorming van een bankenunie, een Europabrede ondersteuning van haar financiële instellingen. De 28 leden van het blok kopen voor hun kerncentrales gezamenlijk uranium in door middel van het atoomagentschap van de EU, Euratom. Ze zouden bij het Russische gas dezelfde aanpak moeten kiezen.

Daarom stel ik een energie-unie voor. Daarmee zal het Europese project naar zijn wortels terugkeren. De voorzitter van de Europese Raad, Herman van Rompuy, heeft de huidige energie-uitdaging vergeleken met de problemen van 60 jaar geleden – de problemen waaruit de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal voortkwam.

Of het nu gaat om steenkool, staal, uranium, krediet of gas, de hoofdgedachte van de EU is altijd geweest om Europa bij elkaar te brengen, onze veiligheid te versterken en eerlijke regels vast te stellen als de vrije markt daarin tekortschiet. Ook een energie-unie zou op solidariteit en gemeenschappelijke economische belangen worden gebaseerd. Ze zou berusten op zes principes.

Ten eerste moet Europa een mechanisme ontwikkelen om gezamenlijk met Rusland over energiecontracten te onderhandelen. Dit zou in fasen tot stand komen. Om te beginnen zouden bilaterale overeenkomsten worden ontdaan van elke geheime en marktverstorende bepaling; daarna zou een modelcontract worden opgesteld voor alle nieuwe gascontracten; bij alle nieuwe onderhandelingen zou ten slotte de Europese Commissie een rol op zich moeten nemen.

Ten tweede moeten de mechanismen worden versterkt die de solidariteit tussen de lidstaten waarborgen. Dit voor het geval de energievoorziening weer wordt stopgezet, zoals in de koude winter van 2009, toen het vorige Russische geschil met Oekraïne tot de afsluiting van de gasstroom naar een aantal EU-landen leidde. Europa moet er veilig van op aan kunnen dat de gastoevoer gewaarborgd is, de opslagvoorzieningen toereikend zijn en de gasnetten ononderbroken blijven.

Ten derde moet de EU de bouw van een adequate energie-infrastructuur ondersteunen. Op het ogenblik zijn minstens 10 EU-lidstaten voor meer dan de helft van hun verbruik afhankelijk van één enkele leverancier – Gazprom. Sommige zijn geheel afhankelijk van de gasreus die door de Russische staat wordt gecontroleerd. In landen waar de continuïteit van de voorziening het zwakste is, moeten met hulp van de EU opslagcapaciteit en gastransportleidingen worden aangelegd. Dergelijke projecten moeten kunnen rekenen op het hoogst toegestane niveau van co-financiering uit Brussel: 75 procent.

Ten vierde moet Europa ten volle gebruikmaken van de beschikbare fossiele brandstoffen, waaronder steenkool en schaliegas. In de oostelijke EU-landen, zoals in Polen, staat steenkool gelijk aan energiezekerheid. Geen land mag gedwongen worden om mineralen te winnen, maar het mag ook niemand worden belet – zolang het maar op een duurzame manier gebeurt. We moeten strijden voor een schonere aarde, maar we moeten ook veilige toegang tot energiebronnen hebben, en banen om dit te bekostigen.

Ten vijfde moeten we de handen ineenslaan met onze bondgenoten buiten Europa. De wereldgasmarkt bestaat nog maar kort. In de jaren van de Gemeenschap voor Kolen en Staal was gas niet per schip te vervoeren; dankzij de technische vooruitgang hebben we inmiddels de benodigde instrumenten om één Europese markt tot stand te brengen. De afsluiting van overeenkomsten met nieuwe leveranciers zou de situatie op de Europese energiemarkt ingrijpend kunnen veranderen. Een van de mogelijkheden is de VS, waar de afgelopen jaren de schaliegasproductie op gang is gekomen. Een andere is Australië, een rijzende ster in de export van vloeibaar aardgas.

In 2005 heeft de EU samen met acht van haar oosterburen een Energiegemeenschap gevormd om de Europese gasmarkt naar het oosten uit te breiden. Deze moet worden versterkt. We moeten de energiezekerheid stimuleren, niet alleen van de EU, maar van Europa als geheel.

Polen is in zulke oplossingen vooropgegaan. Ons land heeft als eerste de Europese Commissie uitgenodigd om aan zijn gasonderhandelingen met Rusland deel te nemen. En de afgelopen zeven jaar heeft Polen meer dan 2 miljard euro besteed aan verbetering van zijn gasopslagcapaciteit, aan de bouw van een gasterminal, aan de koppeling van zijn gasnet aan dat van Duitsland en de Tsjechische Republiek en aan investeringen in hernieuwbare elektriciteitsproductie.

Het zaad van de EU werd geplant door een eenvoudige visie: de gezamenlijke zeggenschap over – en een gezamenlijk belang in – de staalproductie en de mijnbouw. Het wordt tijd om de gemeenschap op het gebied van de energie te versterken. Nu nieuwe technieken dit mogelijk maken en oude uitdagingen het vereisen, kunnen we ons niet echt veroorloven het na te laten.