Opinie

Brandje bij de bruinen

Duindorp is een pretpark voor de pers. Ik was er nog geen vijf minuten, toen het nieuws zich al aandiende in de vorm van een brandweerauto met loeiende sirene. Een meter of honderdvijftig verder, in de Pluvierstraat, hield de ladderwagen halt. Er is wel vaker ergens brand, maar dit was Duindorp, waar bewoners winkels van vreemdelingen in de fik zouden steken.

In de straat had zich een kleine menigte van Duindorpelingen gevormd. Er was rook noch vuur te zien. Er bleek een vuilniszak voor de deur van een portiekwoning in brand te hebben gestaan. Een buurjongen had twee jonge kinderen uit het huis naar buiten gehaald, onder elke arm eentje. Het betrof geen blank gezin. Antillianen, dacht de een, Somaliërs dacht een ander; de meesten hielden het op „bruinûh”. Je kende hier je buren nog, maar deze waren nieuw.

De vraag was natuurlijk: aangestoken of niet?

Een kale, getatoeëerde jongen zei dat de bewoners het vast zelf hadden aangestoken, net als die Turkse bakker. Het feit dat de blanke buurjongen had geholpen bewees dat ze hier geen racisten waren. Het klonk alsof dat redden een geste was. „Ik ben geen racist”, zei hij daarna, „ik heb helemaal geen hekel aan die kankerbuitenlanders”.

Andere buren meenden dat het kwade opzet was. Hoe kon een vuilniszak nu zomaar in brand vliegen? Een blond meisje van een jaar of vijftien vertelde dat het getroffen gezin nu bij haar thuis was. Ze wees verontwaardigd naar een huis verderop in de straat, waar ruiten waren ingegooid bij buitenlanders. Ik vroeg of ik het getroffen gezin kon spreken, maar dat wilde ze niet. „Ze zijn helemaal in shock.”

Een vrouw die in de horeca had gewerkt, zei dat het ook best een geleegde asbak kon wezen. Het echte probleem was volgens haar, en veel anderen, niet racisme, maar woningbouwcorporatie Vestia. Als je hier was opgegroeid, kreeg je geen huis toegewezen, maar een Pool wel.

De politie had intussen de stoep afgezet. Er arriveerden meer agenten, die postvatten achter het lint. Ook de recherche kwam, voor onderzoek. Na een uurtje verlieten steeds meer omstanders het tafereel, tot ik zelf te veel tafereel werd, en ook maar vertrok.

Thuis zocht ik in de zoekmachine van de Koninklijke Bibliotheek vergeelde artikelen over Duindorp. Men zegt dat racisme hier al een probleem was toen de PvdA nog groot was, maar nog vroeger, in de jaren dertig, vormde het dorp juist een blijmoedig front van anti-racisme. ‘Duindorp tegen het fascisme’, was bijvoorbeeld de kop boven een stuk dat in 1935 verscheen in De Tribune, blad van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij. Het beschrijft hoe boze Duindorpers, terwijl ze ‘de Internationale’ zingen, een paar flyerende NSB’ers verjagen. ‘Wij, bewoners van Duindorp, walgen van jullie’, stond er. En: ‘Laten de fascisten toch begrijpen dat in Duindorp voor 99 procent weldenkende arbeiders wonen’.

Hoe het zit met de vuilniszakbrand, weet ik nog niet; de politie had het onderzoek een paar dagen later nog niet afgerond. Wel denk ik dat er nog steeds ook veel weldenkende mensen in Duindorp wonen. Hoeveel procent precies? Dat weet alleen Maurice de Hond.