Bo Saris is op zijn best in slepende, bijna tot stilstand gekomen soul

In de zoetgevooisde soulhoek was de Limburgse zanger Boris met zijn wendbare kopstem, smekende buigingen en zwoele intensiteit direct een opvallend talent. Maar de Idols-winnaar (2003) leek destijds zelf nog wel het minst blij met zijn overwinning. Liever brak Boris Titulaer uit het gemodelleerde hits-keurslijf voor zijn eigen soulfunk op diverse cd’s.

Vanuit Londen, met een nieuwe artiestennaam Bo Saris (Saris is zijn moeders meisjesnaam), heeft hij hard gewerkt aan een nieuwe internationalere sound, met het onweerstaanbare moderne soullied The Addict als klinkend visitekaartje van zijn vierde cd, Gold.

In Paradiso bleek dat lied een spaarzaam hoogtepunt in een vrij vormloos aangevangen show met een wat functionele begeleidingsband op toetsen, gitaar, basgitaar en drums, en een matige geluidsbalans met te zachte vocalen. Het concert van de in pak gestoken zanger won wat aan gloed met liedjes als Little Bit More en I’m Done. Op zijn best is Bo Saris in zijn voorliefde voor slepende, bijna tot stilstand gekomen sticky soul, waarin Otis Redding doorklinkt.

Je gunt die aantrekkelijke licht geroeste stem van Bo Saris een spannende muzikale omlijsting die het echt kan laten kolken. Dat de backingvocalisten nu moesten meedraaien op tape was op dit niveau – met twee uitverkochte shows in Paradiso – een pijnlijke en onbegrijpelijke besparing. Bij nummers als She’s on Fire droegen drie blazers bij. Al waren hun lijnen weinig ferm, de popsoul kreeg meer smoel.