Terug naar lesambacht, stop met verbetering van boven

Op de werkvloer gaat het zelden over lesgeven. Aandacht en geld gaan naar verbeteringsideeën van buitenaf. Van pestprogramma’s tot studiehuis. Dat brengt pubers niet aan het leren, meent Ton van Haperen.

Elk jaar in april doet de onderwijsinspectie verslag. Over de stand van zaken. Deze keer richt de dienst zich op de motivatie van leerlingen. De conclusie is even schrikken. Met name het voortgezet onderwijs heeft een probleem. Bij een op de vijf lessen doen leerlingen weinig tot niks. De werksfeer in de Nederlandse klassen is slechter dan in het buitenland. Het falen heeft dus niks te maken met grensoverschrijdende zaken als puberteit, opvoeding of sociale media. De inspectie verdient dan ook een compliment voor het agenderen van deze kwestie. Want er is inderdaad iets aan de hand. Kinderen leren van hun ouders, hun omgeving, maar niet op school. Daar voldoen ze. En dat is niet genoeg. De oplossing heet: terug naar het ambacht van de leraar.

Op middelbare scholen gaat veel goed. De jeugd ontmoet leeftijdgenoten en leraren. De omgang is prettig, aan gestelde eisen wordt voldaan, examens worden steeds beter gemaakt. Kortom, het voortgezet onderwijs levert veilige ontmoetingsplekken tegen een aardig rendement. Maar daar stopt het jubelen, want de inspectie constateert dat de geleverde inspanning karig is.

En dat is erg, want als leerlingen niet werken, beklijft het geleerde niet. Vandaar de oprichting van de canoncommissie. Dat was nodig omdat na de lessen vaderlandse geschiedenis de kennis van historische gebeurtenissen leek te vervliegen als ether in een schaaltje. Bij taal en spelling gebeurt precies hetzelfde. De rekentoets vertegenwoordigt het dieptepunt in het geheugenverlies van de scholier. Dit nieuwe examenonderdeel voortgezet onderwijs meet de basisschoolkennis nog een keer. Het aantal gezakte kandidaten is niet te overzien. De dramatische uitval in de eerste jaren van het hoger onderwijs wordt ineens begrijpelijk.

Kinderen leren op de middelbare school dingen af. Ziehier het nettoresultaat van luiheid. En die luiheid is niet nieuw. NRC Handelsbladmedewerker Leo Prick en orthopedagoog Astrid Boon publiceerden in 2010 het boek Te gezellig in de les. En ja, leerlingen verkeren relatief veel uren in klaslokalen, maar de intensiteit van die uren verschilt enorm. Een samenhangende schoolcultuur ontbreekt in dit land. Elke leraar is anders. En de lessen met een lage intensiteit zien er gemiddeld genomen zo uit. Eerst instructie aan de hand van het leerboek. Na een kwartier gaan leerlingen aan de slag en maken opdrachten. Het geluidsniveau neemt langzaam toe. Het gesprek tussen leraar en leerlingen gaat vooral over het doen van de taak, niet over inhoud, niet over leren. Een zoemer maakt een einde aan de bijeenkomst. Deze taakgerichte lessen hoeven schoolsucces niet in de weg te staan. Proefwerken gaan over fragmenten van leerstof. Thuisstudie, soms met hulp van een huiswerkinstituut, brengt de voldoende binnen handbereik. Maar die voldoende voor dat fragment is na een paar dagen wel bedorven. Kennis beklijft alleen als die verbonden is met het eerder geleerde en met waarnemingen in de wereld om ons heen.

Gedisciplineerd onderhoud maakt het karwei af. In die verbinding, herkenning en oefening bevindt zich de intensiteit van de les. Het kind dat merkt dat vakbegrippen betekenis hebben en succes ervaart in de omgang daarmee, komt met vragen die motiveren tot verder leren. De zichtbaarheid van dit leergedrag maakt ook degene met minder affiniteit met het schoolvak aanspreekbaar. Die ene die dan nog steeds geen zin heeft, krijgt op zijn lazer. Leraren die een vak gestudeerd hebben en opgeleid zijn voor het beroep weten dit. Maar ook hun kennis verdwijnt in het zwarte gat van de diffuse schoolcultuur.

Op de werkvloer gaat het namelijk zelden over lesgeven. Aandacht en geld gaan naar de talloze verbeteringsideeën van buitenaf. Van studiehuis tot pestprogramma’s. Van overheid, naar bestuur, naar schoolleiding, naar middenkader. De royaal gesubsidieerde veranderingsgolven komen en gaan. De reactie van gezagsdragers op het inspectierapport past in dit patroon. Kreten als omgaan met verschillen, talentontwikkeling, vaardigheden van de 21ste eeuw leiden naar ronkende zinnen met als onderwerp ‘leraren’ en persoonsvorm ‘moeten’.

Van de omgeving zal het niet komen en dus is het aan ons leraren om de bevindingen van de inspectie op ons fatsoen te trekken. Alleen wij kunnen de intensiteit van onze lessen opvoeren. Dure cursussen, laat maar. Effectieve praktijkkennis ontwikkelen we met elkaar. In en rond de klas. Terug naar het ambacht, daar tijd voor opeisen, elkaar aanspreken, dat is de strategie die de Nederlandse pubers weer aan het leren krijgt. En het klinkt bizar, maar dat is nieuw.

Twee jaar geleden publiceerde de inspectie ook een schokkend rapport. Toen de constatering dat één op drie leraren op vier havo slecht functioneert. Nergens in de wereld doubleren zoveel kinderen als in die klas. Na een itempje op het journaal en een stukje in de krant bleef het oorverdovend stil. Deze onverschilligheid, zullen we dat nooit meer doen. Elk jaar in april zo ’n aframmeling doet de status van het beroep namelijk bepaald geen goed.

    • Ton van Haperen