Ik heb je naakt gezien. En ja, we hebben gelachen

De bodyscanners op vliegvelden werken niet. Tenminste, niet als je terroristen wil tegenhouden. Wel om met collega’s te lachen om naakte passagiers. Voormalig beveiligingsbeambte Jason Edward Harrington klapt uit de school.

Door een productiefout stond dit artikel vandaag slecht leesbaar in Offline, de weekendbijlage van nrc.next. Lees ook: Bodyscanners, zo gaat het op Schiphol. Meer van dit soort verhalen? Neem een abonnement op Next.

Op 4 januari 2010 moest ik bij mijn baas op gesprek komen nadat zij mijn ingezonden brief in de New York Times had gelezen. Beveiligers van de TSA (Transportation Security Administration) van Chicago O’Hare worden doorgaans niet bij de directeur van de federale veiligheidsdienst op gesprek gevraagd – dat duidde meestal op ontslag – dus was ik behoorlijk nerveus toen ik tegenover haar ging zitten. Zij was in de veertig en had felblauwe ogen die je opnamen alsof ze je in een excelbestand wilde zetten. Ze hield de bewuste krant omhoog, opengeslagen bij de sectie ingezonden brieven. Mijn bijdrage, onder de kop ‘Hoe je een terrorist tegenhoudt: ideeën genoeg’, was met blauwe pen omcirkeld.

Over dit artikel

Jason Edward Harrington is schrijver. Hij onderhoudt verschillende blogs, waaronder ‘Taking Sense Away’, over zijn werk op het vliegveld O’Hare bij Chicago. Hij werkte er als beveiligingsbeambte van 2009 tot vorig jaar.

Op nrc.nl/longreads schreven we eerder over dit stuk, dat Harrington oorspronkelijk voor de Amerikaanse website Politico maakte. In dit artikel maakt hij de balans op van zijn ervaringen op O’Hare.

Alles wat je vreesde blijkt te kloppen. Nee, de full-bodyscans hebben nauwelijks zin, een pistool smokkel je zo naar binnen. En ja, beambten kijken giebelend naar jouw naakte lichaam.

Momenteel werkt Harrington aan een roman over de misstanden die hij achter de schermen aantrof.

Vertaling: Welmoed Smith | Illustraties Roel Venderbosch

Een week daarvoor, op Eerste Kerstdag 2009, had ene Umar Farouk Abdulmutallab geprobeerd om 80 gram zwaar explosief poeder tot ontploffing te brengen op vlucht 253 van Northwest Airlines. Hij had de bom aan boord van het vliegtuig gesmokkeld in een zakje dat in zijn ondergoed was genaaid. Het was een knap staaltje post-9/11-tragikomedie: de andere passagiers overmeesterden Abdulmutallab en hielden hem de rest van de vlucht in bedwang. Hij stak helemaal niets in de fik, behalve zijn eigen edele delen.

Afgaand op dit voorval concludeerde de TSA dat de luchtvaartveiligheid slechts kon worden gewaarborgd door het plaatsen van full-bodyscanners op alle Amerikaanse luchthavens. De vele tegenstanders van dit idee bestempelden het juist als een knieval voor de gepoogde terroristische aanslag. Daar was ik het mee eens, en dat schreef ik dan ook aan de Times. Mijn baas was er niet blij mee.

„Je hebt je als TSA-werknemer uitgesproken”, zei ze. Dat had ik eerder gehoord. Opeens schoot de waarschuwing uit onze jaarlijkse gedragstraining door mijn hoofd: bekendmaking als overheidsbeambte op een publiek forum kan leiden tot ontslag.
Ik schrok me rot. Ik was ervan uitgegaan dat mijn brief onder de noemer ‘maatschappelijke betrokkenheid’ viel, maar nu wilde mijn baas me schijnbaar ontslaan. Ik probeerde iets zinnigs te zeggen.

„Ik dacht dat dit onder de vrijheid van meningsuiting viel.”

Ze leunde achterover en hield haar handpalmen voor zich in de lucht. Nu voelde ze zich aangevallen.

„Ik schend je grondwettelijke rechten niet”, zei ze. „Ik wil alleen maar zeggen: had je niet eerst langs de juridische afdeling kunnen gaan met je vrijheid van meningsuiting?”

Ze verzekerde me dat ik hier meer over zou horen en stuurde me weg.

In de drie jaar dat ik daarna nog bij de TSA heb gewerkt, is het nooit meer ter sprake gekomen. Daarna heb ik als overheidsbeambte nooit meer iets op eigen titel beweerd.

Maar het was zeker niet de laatste keer dat ik me ergens over uitsprak.

Een bijbaantje

Mijn moeizame relatie met de overheidsbeveiliging was drie jaar eerder van start gegaan. Het was mei 2007. Ik was net naar Chicago terugverhuisd om mijn bachelordiploma af te maken na een pauze van twee jaar in Florida. Ik zocht een baantje om mijn studie te bekostigen en de TSA was het eerste bedrijf dat op mijn sollicitatie reageerde. Ik hield mezelf voor dat het tijdelijk was – wat extra inkomsten tijdens de twee jaar tot ik zou afstuderen als creatief schrijver.

“Ik moest zelfs de nagelknippers van piloten afpakken”

Van het begin af aan vond ik het vreselijk. Bij deze baan moest ik kinderen, ouderen en zelfs baby’s in hun kruis voelen, alles in het teken van het grote post-9/11-beveiligingscircus. Ik nam potten huisgemaakte jam in beslag onder het mom van mogelijke bedreiging van de staatsveiligheid. Ik moest zelfs nagelknippers afpakken van piloten – de achterliggende logica was dat piloten die nagelknippers konden inzetten om hun eigen vliegtuig te kapen.

Eén keer in 2008 moest ik een fles drank van een groep mariniers innemen. Ze waren teruggekomen uit Afghanistan. Het was champagne voor een van de mannen – een jonge soldaat met een onderscheiding op de borst geprikt. Hij zat in een rolstoel en had beide benen verloren door een bermbom. Aan mij de eer om deze jongen, die nooit meer zou kunnen lopen, te vertellen dat zijn welkom-thuis-champagne in beslag werd genomen in naam van de staatsveiligheid.

Daar stond ik dan met mijn aspiraties voor satirisch schrijverschap keurig bevelen uit te voeren die regelrecht uit Catch-22 afkomstig leken.

Ik merkte al snel dat ik werkte bij een van de overheidsbedrijven met het laagste arbeidsethos van heel Amerika. In een-op-eengesprekken zeiden de meeste TSA-werknemers dat het bedrijf volgens hen dagelijks misbruik maakte van maatschappelijk vertrouwen en overheidsgeld.

Eens in de zoveel maanden kopten de kranten dat de TSA discrimineerde bij screenings, en vanachter de schermen wisten wij hoe dat kwam. Tot 2010 werkten alle TSA-beambten volgens een geheim lijstje, vaak als spiekbriefje achterop onze badges geplakt: de Selectee Passport-lijst. Die bestond uit twaalf landen waaruit de passagiers automatisch uitgebreid gescreend moesten worden. Het trainingscentrum had ons de landen zo vaak ingeprent dat ik ze als een soort gedichtje had onthouden:

Syrië, Algerije, Afghanistan
Irak, Iran, Jemen
En Cuba,
Libanon-Libië, Somalië-Soedan
Volksrepubliek Noord-Korea

Mensen met een paspoort uit een van die landen werden automatisch uit de rij gehaald voor een uitgebreide fouillering en hun bagage werd volledig uitgekamd. De lijst met geselecteerden was natuurlijk totaal politiek gemotiveerd, waarbij de diplomatie hoogtij vierde: Saoedi-Arabië en Pakistan ontbraken op een lijst met landen die in het verleden al bekendstonden om het herbergen, ondersteunen en voortbrengen van terroristen. Wat mijn collega’s op het vliegveld betreft, had Algerije net zo goed een enge ziekte kunnen zijn, Cubanen kwamen we sowieso nooit tegen en het enige Noord-Koreaanse paspoort dat je hier ooit zult aantreffen, draagt de naam ‘Kim-Jong’. Het waren dus vooral mensen uit het Midden-Oosten die een speciale behandeling kregen.

Wij vonden de aanwijzingen wel wat dubieus, maar bevel is bevel. En in de praktijk konden de beambten met enig gezond verstand de meest absurde regels nog wel omzeilen – als de toezichthouders of managers tenminste niet keken.

Toen probeerde iemand een vliegtuig op te blazen met een onderbroekenbom en werd alles anders.

Elke vetrol zichtbaar

Al voordat de full-bodyscanners werden geïnstalleerd, wisten wij dat ze niet werkten. Vrij kort na het voorval met de Onderbroekenterrorist kregen alle TSA-beambten op O’Hare te horen dat er een training kwam om met de apparaten te leren werken. Ze kostten ongeveer 150.000 dollar per stuk.

Onze instructeur was een kalende vijftiger die na elke zin zijn schouders ophaalde, alsof hij zich verontschuldigde voor wat hij zei.

Toen onze bliksemcursus was afgelopen, vroeg een van de beambten uit ons klasje hem in vertrouwen wat hij eigenlijk van de machines vond.

„Het is rotzooi”, zei hij schouderophalend. Volgens hem zouden we geen verschil zien tussen bommen en lichaamsvet, en waren vuurwapens zo goed als onzichtbaar als je ze gedraaid in je zak hield.

We merkten gauw genoeg dat de instructeur gelijk had: werknemers kwamen erachter dat de apparaten ongeveer alles blootlegden behalve verstopte explosieven en vuurwapens. Het enige wat nog absurder was dan het belabberde functioneren van de full-bodyscanners was de enorme hoeveelheid tijd die iedereen aan de apparaten kwijt was.

Het werkte als volgt: passagiers moesten tussen twee enorme stralingsmeters – met het formaat van twee koelkasten – zeven seconden lang in de volgende houding blijven staan: voeten schouderbreed uit elkaar en de handen met gespreide vingers boven hun hoofd, alsof ze Mickey Mouse-oren maakten. Er moesten drie politieagenten aanwezig zijn om de passagiers op de juiste plek te zetten en zonodig te fouilleren. De beeldanalyse vond plaats in de I.O.-kamer, voluit Image Operator, die van binnenuit op slot kon.

I.O.-dienst evolueerde al snel tot een soort pauze. Het was de enige plek op het hele vliegveld waar geen beveiligingscamera’s hingen – de TSA had het publiek verzekerd dat er geen naaktbeelden van passagiers zouden worden geregistreerd, camera’s met gesloten circuit inbegrepen.

De scans vormden groteske, spookachtige zwart-witbeelden op ons beeldscherm.

“Vrouwen met een borstamputatie pikten we er zo uit”

De meesten van mijn collega’s zagen de zwarte humor van de I.O.-kamer wel in. Precies zoals de getergde Amerikanen die bij de security stonden te wachten al dachten, maakten mijn TSA-collega’s aan de lopende band grappen over de passagiers: we vergaapten ons vooral aan mensen met overgewicht, van wie elke vetrol pijnlijk zichtbaar was. We zagen alle mogelijke soorten piercings. Vrouwen die een borstamputatie hadden ondergaan, pikten we er zo uit – hun borstkas zag er hol en blokkerig uit. Hernia’s zagen eruit als opgezwollen, bubbelige gezwellen in de onderbuik. Vaak werden mensen verrast door de röntgenstralen en stonden ze er onhandig bij waardoor ze als bizarre, verwrongen verschijningen op het scherm verschenen – met hun mond open, à la Edward Munch. Soms werd een passagier als vrouw aangeduid en werd vanaf het checkpoint geantwoord dat het eigenlijk een man was. Alle vooroordelen over afkomst en genitaliën tierden welig op onze beveiligde radioverbinding.

Er heerste meer wangedrag in de I.O.-kamer. Beambten die iets met elkaar hadden, zorgden vaak dat ze tegelijkertijd I.O.-dienst hadden, alwaar ze op zijn best één oog op de naakte beelden gericht hielden. Af en toe stak een passagier beide middelvingers op tijdens zijn of haar scan, alsof hij of zij aanvoelde wat zich zoal afspeelde in de I.O.-kamer.

Pistool smokkel je zo mee

De TSA-beambten zelf hadden de allergrootste hekel aan de bodyscanners. Veel van mijn collega’s voelden zich er al ongemakkelijk bij om mensen in de straling van de machines te laten staan. Er is wel eens officieel navraag gedaan naar de dosimeters, om te weten te komen aan hoeveel straling ze werden blootgesteld. Het bedrijf stond erop dat dosimeters niet nodig waren, omdat de straling van de machines onschadelijk was. Als bezorgde passagiers – meestal zwangere vrouwen – vroegen hoe sterk de straling was, moesten wij van onze meerderen zeggen dat het helemaal veilig was. We moesten ook zeggen dat de machines voor de volle honderd procent functioneerden met het oog op veiligheid, voor het geval dat een of andere burger een tegenstrijdig gerucht zou opvangen.

Toen zette blogger Jonathan Corbett in maart 2012 een filmpje op YouTube: ‘Hoe Je Alles Door De Full-bodyscanners Krijgt’. Daarin legde Corbett een belangrijke zwakke plek van de scanners bloot, die iedereen binnen het bedrijf al kende: een metalen voorwerp was onzichtbaar op de beelden als je het langs je lijf hield. Corbett liet zien hoe een passagier met een pistool naar het vliegveld ging en het door de full-bodyscanners meenam in het vliegtuig.

Binnen een paar dagen had ruim een miljoen mensen het filmpje bekeken. Eindelijk kreeg het publiek lucht van wat ik en mijn collega’s al lang wisten. De scanners waren waardeloos.

Tegenover de buitenwereld zette het bedrijf het Corbett-filmpje weg als onzin. Achter gesloten deuren kregen wij intussen de opdracht om elke vijfde passagier te fouilleren als halfslachtige poging het gênante falen van de scanners te verhullen.
Ik dacht bij mezelf: waarom maak ik geen website vóór en dóór de TSA-werknemer, die ook dient als platform om mensen te laten weten wat er allemaal gebeurt bij het bedrijf? Dus begon ik begin dat jaar een blog op WordPress. Het heette ‘Taking Sense Away’. Het was de plek waar ik iedereen kon vertellen wat ik in mijn vijf jaar bij TSA had meegemaakt.

In het begin zei ik tegen niemand iets over mijn project en werkte ik rustig aan artikelen; in de zomer had ik genoeg blogs voor een jaar. Ik deed me voor de zekerheid voor als ‘voormalig TSA-werknemer’, al ging ik elke dag nog naar mijn werk op O’Hare. Toch brak het koude zweet me nog uit als ik daadwerkelijk op ‘Publiceer’ wilde klikken. Ik wist dat dit me waarschijnlijk mijn baan zou kosten en ik, in het ergste geval, op een of andere zwarte lijst van de overheid kon komen te staan. Toch voelde ik me verplicht om me te laten horen, ongeacht de gevolgen.

Op een avond in oktober zette ik de eerste post online op een computer in een UPS-winkel: ‘Het vliegveld is één grote beveiligingszone’. Die post gaf precies aan waarom ik over het onderwerp wilde schrijven: het falen van de full-bodyscanners, de absurd lage kwaliteit van bijna alle vliegveldbeveiliging en de lafhartige poging van de overheid om de gebreken van de scanners te verbergen voor het publiek. ‘Als je voor TSA werkt, is het net alsof je op een grote, slome hond zit die eindeloos probeert zijn eigen staart te pakken te krijgen en steeds van richting verandert.’

Na die post plaatste ik nog meer stukken over de dagelijkse belevenissen van TSA-werknemers. Ik schreef over ongemakkelijke situaties op de werkvloer, dat je aan androgyne passagiers moet vragen of ze man of vrouw zijn bijvoorbeeld. Ik beschouwde het blog als een klokkenluiderssite met een komische noot.

De eerste zes weken werd de website bezocht door welgeteld negen mensen.

Ik werd bang dat niemand mijn stukken zou lezen. Ik wist niet wat erger was: lezers aantrekken en mijn baan verliezen omdat ik mijn mond had opengedaan, of mijn mond opendoen tegen een publiek dat niet bestond en de rest van mijn leven bij TSA blijven werken.

Toen ik op 18 december 2012 thuiskwam, zag ik dat een blog over TSA-nieuws een link naar mijn blog had geplaatst en zo een dozijn mensen naar mijn website had gelokt. Ik was opgewonden. Iemand reageerde met de vraag hoe het eraan toeging in de I.O.-kamer. Ik postte haar vraag en mijn antwoord: ik schreef dat veel TSA-beambtes in de I.O.-kamer maar wat dolden. Op dat moment stond ik er niet bij stil.

Een paar dagen later pikte een ander blog mijn site op, wat me nog een paar dozijn bezoekers opleverde. Toen ik twee dagen later inlogde, zag ik dat de statistieken voor mijn website waren ontploft: gedurende de acht uur dat ik aan het werk was, hadden 60.000 mensen mijn site bezocht. Ik zat tot vijf uur ’s ochtends aan mijn laptop gekluisterd en klikte steeds weer op refresh, waardoor ik de bezoekers live zag binnenkomen.

Mijn site ging viral.

Geplaagd door paranoia

Ik kon amper eten. Ik voelde me verliefd en doodsbang tegelijk. Ik vroeg me voortdurend af of mijn collega’s of leidinggevenden de site al hadden gezien. Op een dag kreeg ik een mail van een verslaggever van ABC News, hij vroeg mijn echte naam en wilde me interviewen. Ik deed er niets mee. Een paar uur later plaatste de website Jezebel een link naar mijn site. En toen Fox News.

Nog geen week later verscheen er een artikel in de L.A. Times waarin een TSA-woordvoerder een officiële reactie namens de overheid gaf die de beweringen van de anonieme blogger tegensprak:

‘Wordt u uitgelachen door TSA- beambten? Bedrijf zegt van niet’

Vlak erna zei een van mijn collega’s tegen mij: „Wie het ook is, ze vinden hem wel.”

In het begin postte ik alleen vanaf openbare computers. Daarna deed ik het thuis maar schermde mijn IP-adres af. Ik begreep al snel waarom mensen steken laten vallen en digitale vingerafdrukken achterlaten: het valt niet mee om je identiteit af te schermen. Uiteindelijk gaf ik de hoop op anonimiteit op en postte ik rechtstreeks vanuit huis.

Ik werd geplaagd door paranoia. Een van mijn taken op O’Hare was het in de gaten houden van de uitgangen zodat niemand ongecontroleerd de beveiligde zone zou binnenglippen. Een paar keer per dag kwamen er CIA en FBI-agenten naar me toe. Na de doorbraak van mijn website was ik voortdurend bang dat ze me niet hun pasjes kwamen laten zien om erdoor te mogen, maar dat ze me zouden ondervragen over mijn blog.

De enigen die ervanaf wisten waren mijn huisgenoten. Als ik thuis kwam, zaten daar altijd twee morsige dertigers. We zaten met zijn drieën in de huiskamer achter onze laptops. Zij speelden online poker en World of Warcraft; ik volgde de statistieken van mijn website. Zij lazen hardop wat er op nieuwssites over mijn blog werd geschreven, terwijl ik op hetzelfde moment zag hoeveel nieuwe hits er via die sites kwamen.

Op een dag kreeg ik een e-mail van iemand die me zijn appartement in Parijs aanbood als ik WikiLeaks al mijn inside information zou geven. Toen dacht ik dat het een geintje was.

Nu weet ik dat het een serieus aanbod was.

SSSS-stempels

Drie weken nadat mijn website viral ging, op 17 januari 2013, kondigde TSA de ontbinding aan van het contract met Rapiscan, de fabrikant van de full-bodyscanners. Er kwam een nieuw type scanner die de omtrek van het lichaam weergaf in plaats van de niets verhullende beelden.

Mensen schreven op mijn blog dat die aankondiging vast was aangezwengeld doordat de organisatie door mijn site in verlegenheid was gebracht. Als iemand me zou willen ontmaskeren, was dit het moment. Ik moest eruit stappen – en snel ook.
De vraag was alleen, wat ik dan moest gaan doen.

Op advies van een bevriende redacteur had ik me al aangemeld voor verschillende schrijfmasters voordat ik mijn site activeerde. Toen ik per vliegtuig de universiteiten ging bezoeken, keek ik meteen na het inchecken op mijn ticket in de hoop dat het welbekende SSSS-stempel er niet op stond – het brandmerk van de passagier die is bestempeld als potentiële dreiging voor de nationale veiligheid en die extra moest worden gescreend. Het stempel is nooit gezet.

In het half jaar dat ik als TSA-werknemer heb geblogd, heb ik geprobeerd zo veel mogelijk stupiditeiten over TSA en O’Hare bekend te maken.

“Ik heb over de lopende band zien rollen: dildo’s, puppies, jonge katjes”

Een van mijn onderwerpen was ‘Wat ze al niet door het röntgenapparaat laten gaan’. Daarin beschreef ik de meest bizarre voorwerpen die ik over de lopende band had zien rollen: dildo’s, puppies, jonge katjes. Zelfs een echte TSA-beambte: in 2009 had een bevriende collega een andere collega op de lopende band gelegd (het was een rustige avond). Toen de leiding daar toevallig videobeelden van onder ogen kreeg, werden ze allebei ontslagen.

Ik schreef ook nog ‘Nee, niemand weet wat dat is’, een blog dat onthulde dat de TSA-beambte die de uitgebreide screenings uitvoert vaak net zo min weet wat de bedoeling is als de reiziger zelf. Er werden van bovenaf ‘willekeurige veiligheidsshows’ opgedragen. Die uitgebreide screening werd ook gebaseerd op SSSS-stempels die om uiteenlopende redenen op de instapkaart van passagiers konden staan, meestal hadden wij geen idee waarom. Soms doorzochten we een tas of fouilleerden we iemand omdat diegene zich lomp gedroeg. We gaven altijd dezelfde verklaring: „Het is een willekeurige controle.”

Op mijn blog schreef ik verschillende keren dat een terrorist de veiligheidsmaatregelen op een vliegveld het best zou kunnen omzeilen door bij de TSA te solliciteren en te infiltreren in het beveiligingssysteem. Dat idee kreeg ik uit eigen ervaring.
Een collega kwam eens terug op O’Hare van een bezoekje aan het TSA-hoofdkantoor en vertelde dat hij wat moeilijkheden had gehad: iemand was erachter gekomen dat zijn achtergrond nooit was gecontroleerd, terwijl hij al vier jaar in dienst was. Hij had wel een moordenaar, terrorist of verkrachter kunnen zijn. Het bedrijf moest dat in allerijl controleren. Wie weet hoeveel vergelijkbare gevallen er zijn op vliegvelden door het hele land.

Uniform inleveren

Ik had graag nog langer achter de schermen van het beveiligingscircus willen kijken. Toch voelde ik me totaal niet bezwaard toen ik op een middag in mei mijn uniform ging inleveren en de TSA meldde dat ik niet meer terug zou komen.
„Je moet deze formulieren ondertekenen”, zei de vrouw bij personeelszaken. Ze was wel gewend dat mensen abrupt ontslag namen; iedereen leek wel bij TSA weg te willen.

„Je uniform moet je inleveren bij je eindgesprek.”

Ik wist niet of ik naar dat gesprek zou gaan. Ik kon natuurlijk afzeggen met een smoes. Volgens mijn huisgenoten was ik niet goed wijs als ik ging.

Ik besloot wél te gaan. Het was geen misdaad dat ik mijn mond had opengetrokken; ik had slechts informatie doorgegeven waar de burger recht op had. In mijn ogen was 40 miljoen dollar belastinggeld verspild aan niet functionerende anti-terrorismebeveiliging ten koste van de volksgezondheid, privacy en waardigheid. Als iemand me tijdens het eindgesprek zou vragen of ik de website Taking Sense Away kende, zou ik de waarheid vertellen.

Het eindgesprek bleek een prettige conversatie met een dame van de administratie. Jane noemde een lijst uniformonderdelen op die ik in bezit moest hebben, en ik moest vooral bekennen dat ik de meeste al lang was kwijtgeraakt.

Jane zei glimlachend dat het niet erg was. Ze schudde me de hand, wenste me succes met mijn studie en dat was dat. Ik verliet het hoofdkantoor en was officieel niet meer in dienst van de overheid.

Lees ook: Bodyscanners, zo gaat het op Schiphol. Meer van dit soort verhalen? Neem een abonnement op Next.