Ik heb een hoge prijs betaald

Ze heeft de film over Lucia de B. niet gezien. Arts Metta de Noo hielp de rechters ervan te overtuigen dat de verpleegkundige onschuldig was. Maar ze beleeft er geen plezier aan. Haar familie is uit elkaar gevallen en artsen geloven nog steeds dat de vrijspraak een vergissing is.

Het zou gaan regenen, maar de zon schijnt en Metta de Noo denkt dat haar buurman die boer is zo de staldeuren zal openzetten om zijn koeien naar buiten te laten. „Ga bij het raam zitten”, zegt ze. „Dan kun je het zien.”

„Ze dansen”, zegt Frans de Noo, haar man. „Koeien die in het voorjaar naar buiten gaan, dansen.” Hij is bioloog.

Diepenheim, Twente. Een kleine bungalow aan de rand van de bebouwde kom. Aan de wand in de gang hangen foto’s van kampeervakanties. Metta de Noo zet koffie, filterkoffie, en zegt dat ze niet naar Lucia de B., de film, is geweest en ook niet zal gaan. Ze kan er niet tegen. Ze kan sowieso niet meer tegen spannende films, of films waarin mensen groot onrecht wordt aangedaan. Daar krijgt ze hartkloppingen van.

Zij is de vrouw die Lucia de Berk uit de gevangenis heeft gekregen, samen met haar broer, Ton Derksen. Lucia de Berk: de verpleegkundige uit het Juliana Kinderziekenhuis in Den Haag die in hoger beroep werd veroordeeld tot levenslang met tbs voor zeven moorden en drie pogingen daartoe, en die in 2010 toch werd vrijgesproken.

Je zou denken dat Metta de Noo daar nog elke dag plezier aan beleeft en zich gerespecteerd voelt. Maar dat is niet zo. In de film is haar rol, en die van haar broer, verdwenen. Daarin is het een jonge medewerkster van justitie die begint te twijfelen aan de bewijzen tegen Lucia de B.

„Gisteren nog”, zegt Metta de Noo. „Mijn dochter was hier en ze zei dat alles waar ze me voor gewaarschuwd heeft is uitgekomen. Je hebt iedereen over je heen gekregen, zei ze. De familie is uit elkaar gevallen. En Lucia is ook niet aardig voor je.”

Haar dochter is arts. Metta de Noo is ook arts, met pensioen. Ze was gespecialiseerd in de behandeling van mensen met niet-aangeboren hersenletsel.

In december 2005 ontmoette ik haar voor het eerst, bij haar broer Ton Derksen, in Nijmegen. Ze hadden contact gezocht met Nova, de voorloper van Nieuwsuur, en met NRC Handelsblad, om te vertellen waarom Lucia de B. in hun ogen onterecht veroordeeld was. Ze hadden daar talloze aanwijzingen voor en ze vonden dat de zaak heropend moest worden, wat op dat moment nog kansloos leek.

Metta de Noo en Ton Derksen, hoogleraar wetenschapsfilosofie, hadden hun broer Bram en hun partners er ook bij gevraagd omdat ze deze belangrijke stap in hun leven met elkáár wilden zetten. Liefhebbers van klassieke muziek, allemaal. Protestants-christelijke achtergrond. Ouders die in het verzet hadden gezeten. Alleen hun jongste broer, Wim Derksenhoogleraar bestuurskunde in Rotterdam, en zijn vrouw waren er niet bij en dat had meer betekenis dan ze op dat moment wilden zeggen. De vrouw van Derksen was de kinderarts in het Juliana Kinderziekenhuis die voor justitie had uitgezocht bij welke verdachte sterfgevallen Lucia de B. allemaal betrokken was geweest.

Later vertelde Metta de Noo dat ze aan de „zuiverheid” van de zaak-Lucia de B. was gaan twijfelen toen haar schoonzusje kort voordat ze tegen Lucia de B. moest getuigen een crisis kreeg en werd opgenomen op een psychiatrische afdeling. Dat was op 9 februari 2004.

Haar schoonzusje had – met collega’s – de lijst met mogelijke moorden gemaakt, die door de inspanningen van Metta de Noo en Ton Derksen later, net als voorheen, als gewone sterfgevallen werden gezien. Dat wil zeggen: door de rechters die in 2010 het laatste woord hadden. En door de filmmakers. In Lucia de B. maken de ziekenhuisdirecteur en de artsen fouten en zijn de rechters vooringenomen. En ze gaan allemaal vrijuit.

Met de pet rond

Metta de Noo heeft haar inspanningen voor Lucia de B. „als een boemerang” teruggekregen. Ze probeert het te verklaren, al gaat het haar niet gemakkelijk af, omdat het zo pijnlijk is. En ze vindt het vervelend om al te nare dingen over mensen te zeggen.

Zolang Lucia gevangen zat, zegt ze, hadden ze intensief contact. Na de vrijspraak veranderde dat. „Of eigenlijk al in 2008, toen ze voorlopig was vrijgelaten. Ze had geen inkomsten, omdat ze nog de status van gevangene had en dan heb je geen recht op bijstand. Ik ging voor haar met de pet rond. Als ze hier nu zou binnenkomen, zou je niets aan haar merken. En toch…We voelden het al bij de laatste zitting, toen ze werd vrijgesproken.” zegt ze. „Wij zaten ergens achter in de zaal.”

Haar man: „Stijn vierde zijn succes.” Stijn Franken was Lucia’s advocaat.

De Noo: „Hij noemde Ton en mij in zijn slotpleidooi en dat was dat.”

Haar man: „Wat ook wel weer te begrijpen is, want waarom zou je dankbaar zijn als je bent vrijgesproken van iets dat je niet gedaan hebt.”

Denkt ze dat Lucia de B. zich schaamde?

De Noo schudt eerst nee en zegt dan: „Ik wist natuurlijk heel veel van haar, de diepste ellende. Ik heb bij wijze van spreken haar kots opgeruimd.”

Haar man: „De NRC-recensent schreef over de film dat wat haar is overkomen iedereen had kunnen overkomen, maar daar twijfel ik aan. Lucia kan grillig zijn en ze is moeilijk te peilen. Dat roept wel eens irritatie op en dat maakt haar kwetsbaar.”

De relatie met haar broer Ton Derksen heeft door de zaak ook een „bluts” opgelopen, zegt Metta de Noo. Dat begon toen hij in 2006, in zijn eentje, het boek Lucia de Berk, reconstructie van een gerechtelijke dwaling publiceerde, waarin hij vooral met logische en statistische argumenten de redeneringen van het gerechtshof ontkrachtte. Hij diende, als hoogleraar, en in zijn eentje, een herzieningsverzoek in bij de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken, wat uiteindelijk tot Lucia’s vrijspraak leidde. „Ton heeft dat heel goed gedaan, heel analytisch, geen kwaad woord daarover”, zegt ze. „Maar mijn ge-uttel en het feit dat ik mijn schoonzusje en jongste broer en al die Haagse connecties veel beter kende dan hij…”

„Ge-uttel?”, zegt haar man. „Je bedoelt je onderzoek naar de medische zaken?”

De Noo: „Ja, ja.”

Haar man: „Jij hebt de medische analyses geschreven.”

De Noo: „Maar mijn broer werd de belangrijke hoogleraar die overal lezingen ging geven en ik was het kleine zusje dat eh...” Dan haalt ze haar schouders op en zegt dat ze het „kleinzielig” van zichzelf vindt dat ze er last van heeft.

Haar man: „Zo is het altijd geweest, Met. Jullie relatie is weer geworden zoals die was.”

De Noo: „Ik had gehoopt, nu de film er is…” Ze onderbreekt zichzelf en zegt: „Ik hoorde trouwens van de makers dat Ton het een goede film vond. Is het een goede film?” Ze vraagt het aan mij.

Haar man: „Ze hebben de angel eruit gelaten, namelijk dat de twijfel niet binnen maar buiten justitie is begonnen. Ik denk dat ze er bij justitie heel blij mee zijn.”

De Noo: „En de dokters? Hoe komen de dokters er vanaf?” Haar toon is opeens scherp. „De hele zaak is in de eerste plaats een medische dwaling geweest, geen juridische. Alle fouten zijn de eerste dagen gemaakt, toen ze in het ziekenhuis begonnen te denken dat er moorden waren gepleegd. Ik ben, naast mijn schoonzusje, de enige arts die alle medische dossiers in de zaak bestudeerd heeft en ik weet dat er nog veel meer medische pseudologica was dan Meulenbelt geconstateerd heeft. Die heeft drie dossiers gezien.” Jan Meulenbelt is de toxicoloog en arts die het bewijs tegen Lucia de B. definitief ontkrachtte. [Zie kader]

De Noo: „Jansen Steur [de veroordeelde neuroloog] is opgehangen omdat hij verkeerde diagnoses had gesteld, maar in deze zaak wordt alles doodgezwegen. Niemand is verantwoordelijk en aansprakelijk. De ouders van die zogenaamd vermoorde kindjes hebben toch ook een horror meegemaakt? In het ziekenhuis blijven ze zeggen: Lucia heeft het gedaan, het kon alleen niet bewezen worden. Laatst nog, de directeur van een ander ziekenhuis. Hij zei: je gelooft toch zelf ook niet dat ze onschuldig is? Kinderartsen zeggen: het is de grootste dwaling van de eeuw dat Lucia de B. is vrijgesproken. En ze kijken er mij op aan.”

Heeft ze zelf aan Lucia’s onschuld getwijfeld?

De Noo: „Ik heb er vanaf februari 2004 bijna twee jaar over gedaan om ervan overtuigd te raken dat ze niet schuldig was, dus ik begreep heel goed dat mensen moeite met mijn boodschap hadden. Na die crisis van mijn schoonzusje... Ze heeft tegen mijn moeder gezegd dat ze altijd had gedacht dat de zaak ooit zou worden heropend. Alleen niet dat het door mijn toedoen zou zijn. Ik wílde het ook helemaal niet zelf gaan doen. Ik wilde het alleen aan de orde stellen: er klopt iets niet. Ik wilde mijn schoonzusje helpen en zelf achter de schermen blijven. Vanaf februari 2004 ben ik gaan studeren op de medische bewijsvoering en gaan praten met juristen. Ze zeiden: u hebt gelijk, maar wij kunnen niets doen. Zo ben ik er ingezogen.”

Ze kreeg haar broer met moeite mee, zegt ze. „En ik begreep zijn weerstand. Hij vond het oordeel van het gerechtshof aanvankelijk overtuigend. Hij geloofde wat de artsen hadden opgeschreven. Ik liet hem zien dat de medische zekerheden misleidend werkten, en dat relevante gegevens niet waren meegenomen in de diagnostiek, waardoor Lucia als schuldige kon worden aangewezen. Van Jansen Steur kun je zeggen dat hij fouten heeft gemaakt, maar het is nooit zijn intentie geweest om mensen te beschadigen. Bij deze artsen was de intentie: Lucia moest schuldig zijn.”

Ze aarzelt even. „Ik kende Jansen Steur vrij goed en het ziekenhuis had hem niet meer als neuroloog moeten laten werken. Zijn auto-ongeluk heeft hem veranderd. Voor die tijd was hij een heel goede arts met een IQ van minstens 140, bij het proces bleek het 108 te zijn. Dat zegt wat. Hij heeft mogelijk een diffuse hersenbeschadiging opgelopen. Maar hij wordt door de media als een monster afgeschilderd. Net als Lucia.”

Daarna zegt ze: „De directie van het Haga-ziekenhuis [waar het Juliana Kinderziekenhuis nu onder valt] weigert alles. Er mag niets worden onderzocht. Wie het wel doet, krijgt een proces.”

Hoe zou dat te doorbreken zijn?

„Dat kan alleen de politiek. Die zou kunnen besluiten tot een onderzoek. Maar ik denk dat de verdeeldheid te groot is. Toen Ank Bijleveld [CDA-staatssecretaris van Binnenlandse Zaken in Balkenende IV] me een lintje opspelde, zei ze: dit is de Nederlandse Dreyfusaffaire.”

De onterechte veroordeling tot levenslang van de joods-Franse generaal Alfred Dreyfus had rond 1900 grote gevolgen voor de Franse politiek.

De Noo: „Ik weet dat Hirsch Ballin en Albayrak, zijn staatssecretaris, in 2008 slaande ruzie om Lucia de B. hebben gehad omdat Albayrak tegen de voorlopige vrijlating was. Albayrak is van de PvdA.”

Ze zegt dat ze er geen spijt van heeft dat ze ooit aan de zaak begonnen is. „Mensen zeggen wel dat het heldhaftig van me is geweest. Maar daar zit iets heel vervelends in. Je wordt buiten de gewone orde geplaatst. Ik wil helemaal geen held zijn. Het is gegaan zoals het ging en ik denk dat heel veel andere mensen in mijn omstandigheden hetzelfde hadden gedaan.”

Haar man: „Nee, hoor.”

De Noo: „Jawel.”

Haar man: „Nee, je bent een van de weinigen.”

De Noo: „Maar ik was niet de enige. Maarten ’t Hart, Ton, al die statistici en wiskundigen die een petitie tekenden om de zaak heropend te krijgen...”

Haar man: „Je hebt een hoge prijs betaald.”

De Noo: „Op de begrafenis van mijn moeder... Ik wilde mijn broer Wim condoleren, maar hij weerde me af. De mensen om hem heen grauwden dat ik me moest schamen om wat ik hem had aangedaan.”

Waarom heeft haar broer Ton het niet over zich heen gekregen en zij wel?

„Omdat de onlogica van bewijsvoering gemakkelijk was aan te tonen. In de wereld van de filosofen en statistici is Lucia de B. een mooie casus. In de medische wereld is het een open zenuw.”

    • Jannetje Koelewijn