Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.

Ik deed een half jaar over de eerste zin*

Interview

Eleanor Catton (28) is de jongste winnaar van de Booker Prize ooit. The Luminaries, haar vuistdikke roman, is nu vertaald.

tekst Arjen Fortuin

foto’s Roger Cremers

Het leek een vriendelijke aanmoediging van de Booker Prize-jury vorig jaar: de nominatie van de jonge Nieuw-Zeelandse Eleanor Catton. Ze viel in alle denkbare opzichten buiten de orde: ze was met 28 jaar de jongste genomineerde, haar roman The Luminaries was veruit het dikste en handelde ook nog in de verste uithoek van het gemenebest. Een verhaal over goudzoekers, gegoten in een vorm waarin de wetten van de klassieke negentiende-eeuwse roman samengaan met een ijzeren structuur. Een onmodieuze roman, die in elk geval een nominatie voor literaire moed verdiende.

Daar had het bij kunnen blijven, als het boek niet zo goed was geweest.

The Luminaries, in het Nederland vertaalt als Al wat schittert, is zo knap gemaakt dat je eerst verbaasd bent dat een zo jonge auteur het kan maken – tot je begrijpt dat waarschijnlijk alleen een twintiger dat kan: een ervarener auteur had het plan als onhaalbaar verworpen.

„Het was een rebellious ambition”, zegt Catton daarover. „Een roman waarin plot en een structuur naast elkaar bestaan zonder dat het een het ander overheerst.”

Het boek is bovendien méér dan een gloedvol literair experiment. Het is een belevenis vanaf de eerste pagina’s. Daar trekt een Britse gelukszoeker in 1866, tijdens de goldrush, naar het stadje Hokitita in Nieuw-Zeeland. Hij belandt in een merkwaardig samenzijn van twaalf heren, die proberen een meervoudig mysterie op te lossen.

De ingenieuze vorm van de roman en de verwijzingen naar de stand van de planeten vergeet je al snel. Eerst maar doorlezen. Feitelijk is Al wat schittert een ketting van ontmoetingen, meestal tussen mannen, en al die confrontaties hebben hun eigen spanningsboog: het verlangen naar financieel gewin van de goudzoekers maakt dat ze niemand vertrouwen, terwijl ze tegelijkertijd snakken naar iets van intimiteit – allemaal zijn ze moederziel alleen hun fortuin komen zoeken.

Voeg daarbij een sterfgeval, een bijna-sterfgeval, een verdwijning en een schat en de onweerstaanbaarheid van de roman is verklaard. Vandaar dat de jury van de Booker Prize Eleanor Catton op 15 oktober aanwees als de jongste laureaat van de prijs ooit.

Precies zes maanden later is Catton in Amsterdam om de vertaling van haar roman te promoten. Ze is al een paar weken op toernee in Europa en begint langzaam terug te verlangen naar Nieuw-Zeeland. „Ik vermaak me enorm, maar ik verlang er inmiddels naar om weer thuis rustig een boek te lezen.”

Aan de verschijning van Catton op het kantoor van haar uitgever in Amsterdam is niets uitbundigs, maar als ze over haar werk praat, is ze scherp en gedecideerd. Over Al wat schittert heeft ze vijf jaar gedaan: „Twee jaar research en tweeëneenhalf jaar schrijven. Tussendoor ben ik een half jaar bezig geweest met de eerste zin.”

Het resultaat is imposant, maar met welk idee ben je begonnen? Was er een kernzin, een scène?

„Het was abstracter. Ik had veel in het werk van Jung gelezen en wilde iets met archetypen doen en ons buiten- en binnenzelf. Wat laat je aan de buitenwereld zien en >> >> wat verberg je? Ik wilde bovendien een roman maken over het zuidelijk halfrond in een vorm die verwees naar een traditie van het noordelijk halfrond – de negentiende-eeuwse roman. Ik wilde een soort boek maken dat nog niet bestond. Er zijn in de negentiende eeuw wel romans geschreven over Nieuw-Zeeland, maar niets dat bijzonder genoeg was om te overleven.”

 

Wilde je een Grote Nieuw-Zeelandse roman schrijven?

„Ik wil niet disloyaal klinken, maar ik weet niet of ik echt in de Nieuw-Zeelandse literaire traditie pas. Maar een schrijver moet van zijn onderwerp houden. Ik houd erg van het zuiden van Nieuw-Zeeland. Je lichaam ontspant er dadelijk: alles staat op de juiste plaats, de bergen hier, de zee daar. Mijn liefde voor het landschap zit echt in het boek. Het is onherbergzaam, je verovert het landschap niet, maar het landschap verovert jou. Je voelt je al snel heel klein. Maar dat gaat niet over cultuur, kennelijk ontwijk ik die vraag een beetje.”

Je schildert de gemeenschap van goudzoekers af als opportunistisch en racistisch.

„Tijdens mijn research las ik The Penguin History of New Zealand, waarin wordt betoogd dat wij het eerste land waren met algemeen kiesrecht, ook voor vrouwen. Later las ik in een ander boek dat we wat betreft de rechten van de Chinezen juist ver achterliepen. Dat is beschamend. Ik voel me ongemakkelijk bij die dubbele moraal. Daarom wilde ik een belangrijke rol voor Chinezen in mijn boek. De goudzoekers behandelen hen met veel minder respect dan de Maori.”

Dat is een politieke boodschap.

„Niet bewust. Ik voel me ook niet gerechtigd om op zo’n manier een punt te maken, al kruipen mijn observaties natuurlijk ongemerkt het boek binnen. Uiteindelijk is de roman veel meer een reflectie van mijn lezende leven. Een boek als George Eliots Middlemarch voelt als een deel van mezelf, daar wilde ik Nieuw-Zeeland mee verbinden. Aan de andere kant is Italo Calvino belangrijk voor me geweest, zoals de Sally Lockhart-trilogie van Philip Pullman. Ik lees nog steeds veel jeugdliteratuur. Graag verdedig ik de stelling dat Al wat schittert een vermomd kinderboek is.”

Hoezo?

„Uiteindelijk is het een avonturenverhaal, de karakters zijn archetypen. Ik hecht erg aan de speelsheid van het boek. De structuur is uiteindelijk ook speels.”

En gecompliceerd. Wist je toen je begon dat het boek zo dik zou worden?

„Ik wist dat het ingewikkeld zou worden, maar niet dat het zo omvangrijk zou zijn. Ik wilde dat de personages elkaar zouden ontmoeten volgens de bewegingen van de sterren zoals die destijds aan de hemel stonden. Bovendien wilde ik dat de hoofdstukken van het boek naar het einde toe steeds in lengte zouden halveren, zoals de verdwijnende maan doet. Dat gaat heel snel, wat betekende dat het eerste deel heel dik moest worden.”

Catton werd geboren in Canada, maar verhuisde op haar zesde naar Nieuw-Zeeland, het geboorteland van haar vader. Ze studeerde Engels en Creative Writing in Nieuw-Zeeland, Engeland en de Verenigde Staten. Haar belangstelling voor astrologie was nooit bijzonder groot, tot ze tijdens de research voor The Luminaries stuitte op een Mac-computerprogramma waarmee je sterrenhemels uit het verleden kunt reproduceren. Ze besloot de bewegingen van de hemellichamen te gebruiken om haar verhaal te structureren.

Je geldt nu als astrologiespecialist.

„Astrologie is interessant, ontdekte ik tijdens de research. Ik denk niet dat iemand de toekomst kan voorspellen, maar er bleek veel interessante psychologie in de astrologie te zitten. Het is nu een van de restjes kennis, zoals je die aan het onderzoek voor een boek overhoudt. Ik weet ook van alles over het negentiende-eeuwse scheepsrecht. En ik heb een reusachtige stapel visitekaartjes van astrologen, maar op hun uitnodigingen ga ik niet in. Je moet altijd op je hoede zijn voor mensen die zichzelf te serieus nemen. Het wordt al snel een beetje dwaas.”

Schrijvers nemen zichzelf ook vaak erg serieus. Hoe zeker was je van je zaak toen je Al wat schittert af had?

„Als je zo’n grote prijs krijgt, lijkt alles achteraf voorbestemd, maar ik was vol twijfel en angst. Toen ik het boek eenmaal af had, stuurde ik het ’s avonds naar mijn redacteur in Engeland. Ik dronk een glas wijn om het te vieren en ging naar bed. De volgende ochtend had ik het gevoel dat ik twintig kilo was afgevallen. Ik zweefde door het huis. Toen realiseerde ik me hoe gestresst ik was geweest, hoewel het schrijven eigenlijk heel soepel ging. Er zit veel van mijn persoonlijkheid in het boek. Het onthult me.”

Wat onthult het dan over je?

„Wat ik belangrijk vind in de wereld. De gemakkelijkste uitleg is de relatie tussen liefde en geld. Die vormen een paradox: liefde is niet te koop en geld is niet lief te hebben; hooguit de dingen die je met dat geld zou kunnen kopen.”

In deze krant werd je boek getipt als Booker Prize-winnaar, maar werd ook geschreven dat het meer een boek voor het hoofd dan voor het hart was.

„Ik denk niet dat die twee uit elkaar te halen zijn. De dingen waar ik aan denk zijn dezelfde dingen waar ik sterke gevoelens over heb. Waarden zijn altijd matters of the heart. Over het algemeen houden lezers meer van personages dan van ideeën, dan kan een boek met een nadrukkelijke structuur kunstmatig overkomen.

„Ik heb grote affectie voor structuren. Zelden voel ik me zo menselijk als wanneer ik in een kathedraal zit en afvraag hoe mensen dit ooit hebben kunnen maken – of bij een wiskundige vergelijking. Het is een soort nawee van de Verlichting dat we denken dat de rede niets met het hart te maken heeft, maar dat is natuurlijk onzin. Een van de redenen waarom ik van het boek houd is dat spel er zo belangrijk in is, het je laten leiden door ideeën, zoals kinderen doen als ze besluiten dat ze een helikopter zijn. Ze geloven het, tot nader order.”

Over geloven: je hebt van Emery Staines, de jongeman die vermist raakt, een Jezusachtige figuur gemaakt.

„Jezus? Daar heb ik nooit aan gedacht.”

Hij is menslievend, vrijgevig en een beetje naïef, mensen hebben de hoogste verwachtingen van hem, hij wordt doodgewaand en herrijst, hij houdt van een prostituee die hij Maria Magdalena noemt. En aan het begin van de roman zet je twaalf mannen in een kamer die door hem geobsedeerd zijn.

Oh my goodness, that’s quite a revelation for me. Waarschijnlijk komt dat door het werken met archetypes. Ik heb geen religieuze achtergrond, al heb ik wel altijd een grote belangstelling voor metafysica gehad. Het is wel heel interessant als dit boek ineens aan een christelijk verhaal blijkt te raken.”

Heb je het idee dat je boek wordt begrepen?

„Ik wilde geen boek met pasklare oplossingen geven. Voor sommige fenomenen in de roman – ik wil geen spoilers geven – is zowel een natuurlijke als een bovennatuurlijke verklaring mogelijk, waarbij de natuurlijke eigenlijk de meest absurde van de twee is. Ik prefereer dan de fantastische verklaring. Mijn hoofddoel was om steeds het verhaal op de voorgrond te plaatsen, zodat je ook van het boek kunt genieten als je niets van astrologie weet. Zoals je niets van astronomie hoeft te weten om een sterrenhemel mooi te vinden. Je kunt gewoon ’s avonds naar buiten lopen en naar boven kijken.” <<

Eleanor Catton: Al wat schittert. Vertaald door Gerda Baardman en Jan de Nijs. Anthos, 832 blz. € 29,95