Denk nooit ergens over na

Mensen durven niet op hun intuïtie af te gaan. Dat is volgens Arthur Japin de oorzaak van alle problemen. Een pleidooi voor het volgen van je hart.

door Arthur Japin beeld Irina Birger

Kunst”, heeft componist Louis Andriessen me eens gezegd, „is een vorm van domheid. Om te creëren moet je niet verstandig willen handelen, maar voortdurend grote beslissingen nemen zonder na te denken.”

„Het is een kwestie van durven”, zegt Vaslav Nijinski, de danser, daarom in mijn roman Vaslav en nu ook in het gelijknamige toneelstuk: „Zonder na te denken grote keuzes maken. Dat geldt voor alle kunst, dus ook voor die van het leven.”

Van jongs af aan is het mij opgevallen hoe mensen, geconfronteerd met een situatie waarin ze plotseling voor een beslissing komen te staan, in een flits vrijwel altijd direct weten wat ze te doen staat. Ook zag ik dat ze zich meestal direct, soms nog in dezelfde seconde, al hernemen. Alsof het niet kan kloppen. Alsof leven onmogelijk zo makkelijk kan zijn. Ze heroverwegen de impuls die ze toch duidelijk hebben gevoeld en vooral maken ze een afweging tussen de gevolgen die het allemaal zou kunnen hebben wanneer ze er gehoor aan zouden geven.

Hier beginnen de problemen.

Alle problemen.

Dit wist ik als kind meteen heel zeker. Als buitenstaander op school en als enig kind van ruziënde ouders leer je haarscherp observeren. Om escalaties te kunnen voorzien, gevaren af te wenden en conflicten in de kiem te kunnen smoren, moet je de hele dag door elke situatie haarscherp inschatten. Je moet niet alleen alert zijn op wat er in en tussen mensen gebeurt, maar ook op wat er zou kúnnen gebeuren. Zo leer je gedrag te doorgronden en voorspellen aan de hand van talloze fysieke, emotionele en mentale signalen, uit lijfsbehoud. Enerzijds doe je hiermee een stap terug uit het leven, omdat je afstand nodig hebt tot de anderen om ze te kunnen begrijpen, anderzijds kom je soms dichter bij ze dan zijzelf, omdat je processen waarneemt waarvan zij zichzelf niet bewust zijn.

Hoe dan ook, al snel kreeg ik door dat de moeilijkheden tussen mensen hun oorzaak vinden in dat ze niet gewoon durven doen wat ze voelen. ‘Want dan zegt die er misschien dit van’, redeneren ze, ‘of dan zal die en die er wel dat van denken’. Ze nemen hun besluiten liever met hun hoofd dan met hun hart. Als schakers proberen ze vooruit te denken, zodat ze zich uiteindelijk in rechte lijnen en via afgemeten veldjes over het bord van hun bestaan voortbewegen.

Leven is op die manier geen kunst. Het lijkt en is misschien minder gevaarlijk dan het volgen van impulsen, maar het levert aan het einde van de rit geen kunstwerk op. Hooguit een bouwwerk dat degelijk in elkaar steekt. Zoals zoveel bouwwerken. Die staan vervolgens een tijdlang overeind totdat de natuur er alsnog vat op krijgt en ze overwoekert.

Vaslav, zonder twijfel een van de meest oorspronkelijke en vernieuwende kunstenaars van de vorige eeuw, roept ons in zijn kunst en in zijn leven voortdurend op onze natuur te volgen. Privé en in zijn choreografieën brak hij met de ratio en met de regels, een doorbraak die hem bracht tot de geboorte van de moderne dans.

De ongeremde, intuïtieve bewegingen waarmee hij deze vernieuwing tot stand bracht, kenmerken ook zijn innerlijk leven, zoals wij dat in zijn dagboeken kunnen lezen. Ook in zijn omgang met anderen volgde hij niet de geijkte, rationele sociale patronen, maar zijn impulsen, wat er uiteindelijk toe leidde dat hij in zijn woonplaats Sankt Moritz wildvreemden aanklampte om ze aan te sporen beter naar elkaar te kijken, elkaar beter aan te voelen en meer lief te hebben. Het werd hem zelden in dank afgenomen, maar hij bleef prediken dat een mens voorbij de ratio moet kijken en dat we, om het leven ten volle te leven, moeten luisteren naar onze impulsen en dat we, ongeacht het pad dat voor ons uitgestippeld ligt, ons gevoel moeten volgen. Of zoals ik hem in het toneelstuk laat zeggen: „Een mens moet in het leven zijn eigen coulissen verplaatsen.”

Tegenpolen

Hoewel in de wetenschap de interesse naar effectiviteit en werking van intuïtie groeiende is, is er nog maar weinig onderzoek gedaan naar het belang daarvan bij het maken van beslissingen. Wetenschappers en zij die afgaan op gevoel zijn van nature nu eenmaal elkaars tegenpolen. Traditioneel werd intuïtie door de wetenschap beschouwd als iets dat op vooroordelen is gebaseerd en daarom onbetrouwbaar moet zijn.

Inmiddels is echter uit onderzoeken gebleken dat juist beslissingen die snel en zonder bewuste en aanwijsbare afwegingen worden genomen vele malen effectiever zijn dan weloverwogen besluiten.

In deze tijd voeren bedrijven en organisaties de druk op hun medewerkers op om beslissingen steeds sneller te nemen en met directer effect. Lang werd gedacht dat effectiviteit en snelheid van handelen met elkaar op gespannen voet stonden. Nu willen we echter begrijpen hoe de impuls en de analyse zich tot elkaar verhouden. Daarmee is dit onderwerp binnen het aandachtsveld van de wetenschap gekomen. De laatste jaren komt uit onderzoek naar voren dat gevoelsmatige besluitvorming een steeds belangrijkere rol speelt.

Dit hoor ik graag, want intuïtie kan wel wat erkenning gebruiken.

Zelf heb ik volstrekt geen analytische geest. Mijn hoofd moet vrij zijn, heeft aan feiten een broertje dood en wil voortdurend vooral zijn eigen werkelijkheid maken. Tijdens mijn – na twee jaar afgebroken – studie Nederlandse taal- en letterkunde, die mijn liefde voor Nederlandse literatuur en taal welhaast om zeep hielp, dreef mijn ziel zowat door de ramen van het Amsterdamse Lambert ten Kate Instituut naar buiten en wilde maar één ding: weg van alle empirische onderzoeken en oeverloze, eindeloze discussies, ook al gingen die – het waren tenslotte de jaren van de inspraak – met name over de prijzen voor de koffie uit de automaat (een drank die overigens ook een hoofdrol speelde in de colleges Moderne Literatuur die in mijn herinnering zijn verworden tot een twee jaar durende analyse van de roman van Hannes Meinkema En dan is er koffie, maar dit terzijde).

Provoceren

Tegenwoordig, wanneer mij tijdens interviews of lezingen gevraagd wordt hoe een boek precies tot stand komt – hoe bepaal je de stijl, hoe stippel je de verhaallijn uit, hoe kies je de verteloptiek , et cetera – antwoord ik dat ik nooit ergens over nadenk, in mijn werk evenmin als in het dagelijks leven.

Dit is opzettelijk extreem gesteld om degenen te provoceren die maar niet willen of kunnen geloven dat er bij een werk van woorden zo veel ongebondenheid komt kijken, maar toch is het ook weer niet volledig overdreven. Het is waar en niet waar tegelijk, een dubbelheid waarmee iemand die een roman schrijft bij voortduring te maken heeft.

Te zeggen dat het belangrijkste werk aan een roman gevoelsmatig plaatsvindt, is in mijn geval bepaald niet onwaar, alleen gaat er wel degelijk veel rationeel werk aan vooraf.

Jaartallen en levensfeiten zijn onontbeerlijk bij het schrijven van een historische roman, waarin de waarheid het vehikel is voor de fantasie. Hiervoor is onderzoek of archiefwerk nodig, dat voor een geest als de mijne saai zou zijn als ik niet altijd zo verliefd was op mijn hoofdpersoon dat ik alles over haar of hem wil weten. Het kleinste detail kan een nieuw inzicht geven, een gedroogd bloemetje heeft er eens toe bijgedragen dat een figuur op slag voor me tot leven kwam. Het moment waarop dit gebeurt, is telkens onmiskenbaar, een omslag in het wordingsproces waarbij het verhaal dat je aan het verzinnen bent, het werk als het ware van je overneemt. Een figuur, opgebouwd uit vele elementen die op weloverwogen, rationele wijze zijn vergaard en gecombineerd, krijgt opeens een eigen stem, een eigen dwingende logica, een ritme van praten, denken en beslissen van waaruit hij of zij je een bepaalde kant op stuurt. Een richting die je soms helemaal niet op wilde, en je zo hele delen van de tekst en van het verhaal aandraagt. Dit gebeurt soms ’s nachts, zoals bij De droom van de leeuw toen ik Fellini’s dromen begon te dromen. Maar de toestand waarin het overdag gebeurt, is niet zo heel anders, enigszins los van de realiteit, vrij associërend.

Kort geleden vond ik de naam voor dit fenomeen. „Als een schrijver zes jaar werkt aan een biografie van Tolstoj”, zegt psycholoog James Hillman, „zal hij zo in zijn onderwerp opgaan – een soort participation mystique – dat hij gaat dromen van het dorp waar Tolstoj woonde, of over zijn dochter.”

Dit fenomeen is voor mij een wezenlijk deel van het schrijven van een historische roman. De participation mystique is het vrijlaten van de stemmen die je zelf hebt gecreëerd. Het zijn deze stemmen die hun eigen verhalen vertellen binnen de geschiedenis. Ze spreken en denken intuïtief, maar kunnen dat alleen omdat ik ze tot leven heb gewekt door onderzoek, redelijk begrip en kennis van feiten. Studie en ratio zijn nodig om uiteindelijk tot het punt te komen waarop de materie vleugels krijgt. Het is deze dubbelheid – de realiteit terdege kennen maar los daarvan durven handelen – die ik nodig heb om te schrijven. En om te leven.

In het leven van alledag biedt de rede ons vele mogelijkheden tegelijk. Intuïtie kiest daaruit feilloos de beste. Dit is bij het schrijven niet anders. Op dit moment werk ik bijvoorbeeld aan een scenario voor de verfilming van Een schitterend gebrek. Ik zie dan elke scène voor me. In mijn hoofd bestaan belichting en camerabeweging, compleet met alle acteurs en hun spel. Ik neem niets hiervan waar met mijn ogen en toch weet ik alles. Aan het beeld ontbreekt niets. Tegelijk is het allemaal uit niets opgebouwd.

Het bestaat zonder dat ik erover nadenk. Voordat ik erover nadenk. Omdát ik er niet over nadenk.

Mijn kennis van het totaal bestaat niet uit feiten. Zodra ik het probeer te beschrijven, loopt het beeld leeg in mijn pen. Het bezinkt in de aanwijzingen die ik opschrijf om ze door te kunnen geven aan de regisseur. In het geheel waren alle details aanwezig, juist omdat ik ze niet precies zag. Maar zodra ik ze wil kennen, zodra ik zo’n detail probeer te vangen en vastleg om het over te dragen, lost wat daaromheen is op.

Door waarde te hechten aan een onderdeel raakt het geheel uit zicht.

Hulp bij een ongeval

Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman gaat in zijn boek Thinking, Fast and Slow (Ons feilbare denken) in op de vraag onder welke omstandigheden intuïtie bijdraagt aan de kwaliteit van besluitvorming. Dit blijkt met name te gelden voor beslissingen die genomen moeten worden onder spanning, bij simultaan snelschaken bijvoorbeeld, het kopen en verkopen van miljoenen op de beurs, het bestrijden van plotseling uitslaand vuur of hulp bieden bij een ongeval.

Dit laatste herken ik. Mijn geliefde leed in de eerste jaren dat ik hem kende aan epilepsie. Zelden dacht ik helderder dan wanneer de eerste tekenen van een aanval zich aandienden. Elke twijfel over hoe te handelen valt op zo’n moment weg en maakt plaats voor een volslagen helderheid. Om een niet bestaand probleem kan ik me opwinden, maar voltrekt zich een echte calamiteit, dan moet je bij mij zijn.

Gek genoeg ervoer ik een soortgelijke helderheid ook in de tijd dat ik de VARA-televisiequiz QI presenteerde, of onlangs bij de opnamen van mijn talkshow Leve Sotsji!: een zaal vol publiek, camera’s op je gericht, een floormanager die voortdurend tekens geeft, cue cards om te lezen en een panel met intelligente mensen om mee te sparren en toch is het op zo’n moment alsof er juist geen enkele afleiding bestaat. Ik val volledig samen met mijn handelen, zonder tussenkomst van gedachten. Dit is geen ervaring, want die heb ik met tv-presentatie niet, niet zomaar zelfvertrouwen, want daarvan bezit ik weinig, enkel de wetenschap dat veel dingen tegelijk moeten gebeuren en wel onmiddellijk. Niet vanuit kennis, maar op gevoel. En als dat moet, dan gaat het. Intuïtie werkt alleen zonder gedachten, zonder woorden. Het werkt juist alleen als je geen moeite doet om iets te begrijpen. Als je je gevoel gewoon toestaat te zijn. Niets meer. Je weet niet wát, je weet alleen dát.

Ook voor fysieke handelingen geldt volgens Kahneman dat afgaan op gevoel doorgaans zekerder resultaat oplevert dan een denkproces. Hoe meer bedreven iemand in die handelingen is, hoe trefzekerder zijn impulsen zullen zijn. Ervaren golfers bijvoorbeeld, blijkt uit zijn onderzoek, putten beter wanneer ze niet nadenken over hun slag.

Scheppen, of dat nu schrijven is of op een andere manier creëren, heeft wel iets van een noodsituatie. Je brengt jezelf en je personages telkens opnieuw in een situatie waarvan de uitweg en het vervolg onbekend zijn. Wie iets maakt, kent de momenten van wanhoop, waarop je ervan overtuigd bent dat er geen oplossing bestaat, dat al je werk voor niets geweest is en moet worden weggegooid.

Wie dit werk wat langer doet, weet ook dat deze momenten, hoe oprecht uitzichtloos je ze ook elke keer weer ervaart, essentieel zijn voor het proces. Wanneer je volledig bent vastgelopen, biedt het pad dat je dacht te hebben uitgestippeld, geen uitkomst. En dan móet je ineens wel. Onder druk doe je het enig juiste: je volgt een impuls, het onverwachte dat zich aandient, het ongerijmde, het onverstandelijk onverstandige! Een vorm van domheid is het, waaruit iets daadwerkelijk nieuws geboren wordt, iets dat je van tevoren onmogelijk had kunnen bedenken.

Zoals de kunst is, is het leven. Zou je alle mogelijkheden die zich aandienen van tevoren volledig doordenken, dan zou je er nooit meer een vol overgave (uit) kiezen. Het is alsof je je uit de stroom waarop je heerlijk voortdrijft op de kant hijst om eens te overzien welke richting het op moet. Op een gegeven moment durf je niet meer in het water terug te springen, want het lijkt je te diep of de stroom gaat je te snel. En voor je het weet ben je een van die mensen die langs de kant staan. Je durft niet meer en wandelt uiteindelijk maar liever verder langs de oever over vaste grond. Of zoals Vaslav zegt: door je eigen coulissen te verplaatsen, openen zich onvermoede vergezichten.