De macht van het getal

Technologie en cultuur bloeien alleen als de bevolking groot genoeg is. En zo ging het ook in de prehistorie.

Grottekening van paarden in Chauvet, Frankrijk. Dit kunstwerk uit de Steentijd wordt geschat op tenminste 30.000 jaar oud.
Grottekening van paarden in Chauvet, Frankrijk. Dit kunstwerk uit de Steentijd wordt geschat op tenminste 30.000 jaar oud. Foto HH

Wij zijn Homo sapiens, de laatste menssoort op aarde. En dat is geen wonder, toch? De Neanderthalers waren nog met vuistbijlen in de weer, toen moderne mensen al met pijl en boog schoten, harpoenen wierpen, elkaars lijven tatoeëerden, bizons schilderden, schelpenkettingen droegen en deuntjes speelden op fluiten van uitgehold mammoetivoor.

Maar wat gaf onze voorouders die kennelijk cruciale voorsprong op de concurrentie? Waarom begon de moderne mens zo’n 40.000 jaar geleden met het maken van kunst en complex gereedschap? En waarom hebben de Neanderthalers dat altijd vertikt?

Het traditionele antwoord luidt dat onze hersenen superieur of moderner waren. Dankzij een creatief, inventief en sociaal brein veroverden wij de wereld. Minder begaafde mensachtigen, zoals de Neanderthaler, stierven uit. Simpel.

Maar een groep onderzoekers twijfelt sterk aan dat idee. Die ‘breinprijzers’ zien volgens hen iets over het hoofd: bevolkingsgroei en cultuur. Homo sapiens bouwde geen creatieve cultuur op omdat hij slimmer was maar omdat hij talrijker was.

Collectief brein

De strijd tussen de twee scholen is losgebrand, zoals onlangs in Current Anthropology (december 2013). „Een gemeenschap van mensen is als een collectief brein”, zegt Joseph Henrich. Henrich is hoogleraar evolutionaire psychologie aan de University of British Columbia en een grondlegger van de demografische theorie. „Hoe meer mensen met elkaar verbonden zijn, hoe complexer onze technologie en cultuur kunnen worden.”

In het andere kamp staan Fred Coolidge en Thomas Wynn, respectievelijk hoogleraren psychologie en antropologie aan de University of Colorado. Zij denken dat het anders zit. Wynn en Coolidge denken dat de Homo sapiens een plotselinge, mentale sprong maakte in zijn evolutie. „Alle mensen die nu leven, hebben vergrote wandkwabben. Die ontbreken bij Neanderthalers of mensen die 250.000 jaar geleden leefden”, schrijft Coolidge in een e-mail. „Deze hersengebieden kunnen autobiografische herinneringen en zelfbewustzijn verwerken op een manier die Neanderthalers nooit voor mogelijk konden houden.”

In het debat staat de Late Steentijd centraal, een roerige periode in onze evolutie die 50.000 jaar geleden begon en tot 10.000 jaar geleden duurde. Alles werd anders. De mens had Afrika verlaten en betrad Europa, Azië en Australië. Hij maakte samengestelde wapens, zoals werpsperen, en dreef handel over lange afstanden. En de geheimzinnige tekeningen en beeldjes toonden dat hij symbolisch kon denken.

De Europese IJstijdkunst verschijnt rond 45.000 jaar geleden zo abrupt en al zo verfijnd dat antropologen graag spreken van een ‘creatieve explosie’. Alsof de mens in één klap zijn verbeeldingskracht op de wereld los liet. Zo’n veelbelovend begin moet wel een explosieve oorzaak hebben, denken de breinprijzers: een revolutie in ons DNA of in ons brein, de geboorte van taal, een reorganisatie van het denken .

Het probleem met die verklaring is dat er vrijwel geen bewijzen voor zijn. Er zijn verschillen in hersenanatomie, maar hoe belangrijk zijn die? De schedels van Neanderthalers waren langwerpig en uitgezakt vergeleken met onze bolle, ronde schedels – niet erg verwonderlijk dat er vormverschillen waren. En in het inmiddels zorgvuldig vergeleken DNA van Neanderthalers en mensen is nog geen mutatie gevonden die dramatische gevolgen heeft voor hersenbouw of –functie.

Tarzan bestaat niet

Demografie zou een uitkomst kunnen bieden, zegt het ‘interactiekamp’ in deze controverse. „Het gaat om de groep”, zegt Mark Thomas. „Tarzan bestaat niet.”

Thomas is hoogleraar evolutionaire genetica aan het University College London. Hij bedoelt dat eenlingen er niet toe doen, op de lange termijn. Het maakt niet uit dat één Steentijdgenie een pijl en boog uitvond. Het idee moet doorgegeven worden. „De echte vraag is of een gemeenschap zo’n technologie voor meerdere generaties kon behouden. Niet een mutatie, maar cultuur en bevolkingsgroei waren de drijvende krachten. En dat zeg ik als geneticus.”

Het idee is eenvoudig. Cultuur en kennis bloeien op waar veel mensen samenleven, zoals in het Klassieke Athene en in Florence in de Renaissance. Hoe groter een gemeenschap, hoe meer potentiële uitvinders en kunstenaars, hoe meer onderlinge beïnvloeding, hoe sneller goede ideeën worden opgepikt en hoe meer kennis wordt doorgeven aan nieuwe generaties. Zulke innovatiewetten moeten ook in de Steentijd hebben gegolden. De Amerikaanse antropoloog Jared Diamond maakte al een paar rake opmerkingen over deze gedachtengang in zijn klassieker Guns, Germs and Steel (1997). Dat inspireerde onderzoekers als Thomas en Henrich.

Hun eerste constatering was dat kennis kwetsbaar is als je met weinig bent. Zoals voor een geïsoleerde groep Inuit in het noorden van Groenland, vertelt Joseph Henrich: „Aan het begin van de negentiende eeuw werd die groep getroffen door de pest. Vooral ouderen stierven, en misschien nog erger, ze werden begraven met hun kajaks en gereedschap.”

Het verlies van de ouderen pakte rampzalig uit: veertig jaar lang leefden die Inuit zonder kajaks of pijl en boog, totdat ze pas rond 1860 weer contact kregen met een andere Inuitgroep. Henrich benadrukt dat de Inuit zich al die tijd wel kajaks konden herinneren, maar niet konden bouwen.

De pijlenmaker die ziek wordt, de kanobouwer die verdrinkt. Voor kleine groepen zijn het minicatastrofes met grote gevolgen. Zo kan zelfs uiterst nuttige kennis verdwijnen. Dat lijkt onwerkelijk in onze moderne wereld, waarin alles en iedereen met elkaar verbonden is. Toch is dat precies wat er ooit op Tasmanië is gebeurd, denkt Henrich, volgens hem het ideale ‘natuurlijke experiment’ voor zijn theorie.

„De Europese ontdekkingsreizigers die in de zeventiende eeuw voor het eerst contact legden met Tasmaanse Aboriginals, troffen een volk aan met de simpelste technologie ter wereld”, zegt Henrich. De paar duizend Tasmanen die toen op het eiland leefden, joegen alleen op zeehonden, met stenen, speren en werpknuppels.

Nog geen tweehonderd kilometer verderop, op het Australische vasteland, leefden Aboriginals in een vergelijkbaar landschap met een veelvoud aan werktuigen. Ze gebruikten vis- en vogelnetten, benen vissperen, boemerangs, kano’s, stenen bijlen met een houten steel, houten kommen om uit te drinken en ‘woomera’s’ waarmee ze speren lanceerden.

Opvallend genoeg gebruikten de voorouders van de Tasmanen ooit wél zulke complexe werktuigen, toen Tasmanië nog aan het Australische continent vast zat. Maar toen de zeespiegel 11.000 jaar geleden steeg, liep de landbrug onder water en werd Tasmanië een eiland. Vanaf dat moment werd de technologie er simpeler. De eerste Tasmanen aten nog vis, maar 4.000 jaar geleden waren ze het vissen compleet verleerd. Ze maakten geen visnetten of vissperen meer. Ze walgden zelfs van de Europeanen die zij vis zagen eten.

Henrich denkt niet dat de Tasmanen ineens achterlijk waren geworden, of geen behoefte meer hadden aan visgerei of kommen. Ze waren gewoon met te weinig om die technologie te behouden. Henrich ontwikkelde een computermodel, waarin mensen vaardigheden van elkaar leren. De virtuele mensen kozen in zijn model steeds de beste leraar uit, maar kopiëren hem niet perfect. Vaak slechter dan de leraar, soms halen ze zijn niveau en in een enkel geval waren ze beter (American Antiquity, april 2004). In andere varianten van het model ging het om uitwisselen van kennis met naburige groepen (Science, 5 juni 2009).

Het model leidt tot duidelijke conclusies. Hoe meer rolmodellen er zijn om van te leren, hoe meer technieken een groep kan handhaven. Daar het leerproces nooit perfect is, verloren in de eindeloos herhaalde runs van het model kleine groepen telkens de meest complexe technologieën, terwijl de simpelste behouden bleven en soms zelfs verbeterd werden. Dat is precies wat er op Tasmanië gebeurde, waar stenen werktuigen behouden bleven en zelfs iets geraffineerder waren dan in Australië, maar de veel handigere benen werktuigen gingen er volledig er verloren. Henrich toonde dat proces ook praktisch aan in een experiment met studenten (Proceedings of the Royal Society B, 2013).

Volgens Mark Thomas heeft dit het lot van de moderne mens en Neanderthalers bezegeld. In het koude Europa waren de Neanderthalers waarschijnlijk te dun gezaaid om vuistbijltechnologie te ontstijgen. De schaarse demografische cijfers lijken hem gelijk te geven. De Franse archeoloog Jean-Pierre Bocquet-Appel schat dat er tussen de 45.000 en 35.000 jaar geleden, middenin de culturele explosie, in Zuid-Frankrijk tussen de 800 en 13.000 moderne mensen leefden. Voordat de moderne mens er opdook, leefden hier Neanderthalers. Maar Zuid-Franse Neanderthalervondsten zijn er tien keer zo schaars: er leefden maar 80 tot 1.300 Neanderthalers (Current Anthropology, december 2013).

Waarom zo weinig? De Europese Neanderthalers maakten verschillende grote en kleine IJstijden door, waarbij de groepen in het noorden uitstierven en de rest overleefde in kleine ‘refugia’ in het zuiden. Hun technologie bleef door die verbrokkeling noodgedwongen simpel, denken aanhangers van de demografische theorie. En meer dan moderne mensen joegen Neanderthalers met steeksperen op groot wild, zoals bizons en rendieren. Dat is een gevaarlijke jachtmethode: Neanderthalers werden zelden ouder dan 40 – geen ideale situatie voor het overdragen van kennis. Moderne mensen joegen met projectielwapens, zoals werpsperen, harpoenen en pijl en boog. Met minder risico konden zij zo meer wild verschalken.

Daarbij komt nog dat uit analyse van kampen blijkt dat moderne mensen wel, maar Neanderthalers zelden met zijn allen om één kampvuur zaten. En door het gevaarlijke leven waren er per Neanderthaljongere naar schatting vijf keer minder ouderen dan bij moderne mensen (PNAS, mei 2004). Dat is belangrijk, zeggen de demografen, want oude stamgenoten dragen cultuur en technologie over op jongeren. Misschien was het grootste verschil tussen moderne mensen en Neanderthalers dat wij grootouders hadden, en zij niet.

Neanderthalers leefden in zekere zin op de verkeerde plek, in de verkeerde tijd. Een gedachte-experiment: wat als de Neanderthalers vanaf het begin af aan in Afrika hadden geleefd en de moderne mensen in Europa? „Misschien hadden de Neanderthalers dan op onze plek gezeten, en hadden ze zich afgevraagd waarom die moderne mensen toch waren uitgestorven”, zegt Thomas.

Thomas verwacht dat de bevolkingstheorie bevestigd zal worden nu er steeds meer complete genomen van Neanderthalers en prehistorische mensen beschikbaar komen, waaruit genetici nauwkeuriger populatiegrootten kunnen afleiden.

Demografie heeft de wind mee. Zelfs onderzoekers die voor een reorganisatie van ons brein pleiten, schikken voorzichtig in. „Misschien was het effect van de mutaties niet meteen zichtbaar”, geeft Thomas Wynn toe. „Het gaat uiteindelijk toch om ons moderne verstand, maar misschien was bevolkingsdichtheid een belangrijke externe factor.”

Maar de kritiek klinkt ook. De Canadese antropoloog Mark Collard opende onlangs de aanval (Current Anthropology, december 2013). Want als de populatietheorie klopt, zouden grote groepen van moderne jagers-verzamelaars meer werktuigen moeten gebruiken dan kleine. Maar dat was niet het geval bij de Noord-Amerikaanse indianen die Collard onderzocht.

Collard legt in zijn artikel uit dat hij denkt dat voedselschaarste soms een betere voorspeller kan zijn voor de omvang van de ‘gereedschapskist’ van een volk of stam dan populatiegrootte. Mensen zouden meer technologieën ontwikkelen als ze moeilijker aan voedsel kunnen komen.

Collard maakt in zijn artikel de balans op. Hij schrijft dat vier studies bij moderne jagers-verzamelaars de demografische theorie ondersteunen, en vier hem tegenspreken. „Patronen uit de Steentijd blindelings toeschrijven aan demografie is niet verdedigbaar”, concludeert hij.

„De stelligheid waarmee Collard de populatietheorie verwerpt, vind ik problematisch”, reageert Henrich fel. „De historische populatiegroottes die hij hanteert zijn dodgy, hij houdt geen rekening met het aantal groepen dat onderling contact had. Gedragsecologen zoals Collard geloven dat volkeren altijd optimaal zijn aangepast aan het klimaat en hun omgeving. Maar dat is niet zo.”

Er zijn ook archeologen met fundamentele bezwaren. „Je kunt niet zomaar werktuigen of kralen tellen en aanwijzen wie complex was en wie niet”, zegt Simon Holdaway, hoogleraar archeologie aan de University of Auckland en expert in technologie van Aboriginals. „Het gaat niet om de inventarislijst, maar hoe mensen omgingen met hun werktuigen.”

Geneticus Thomas maakt zich intussen geen zorgen om het verzet tegen de populatietheorie. Die weerstand van antropologen en archeologen komt voort uit cultuurverschillen, denkt hij.

„Als bioloog en geneticus ben ik wel gewend om te denken in processen die zich over de lange termijn ontvouwen. Het is nu eenmaal makkelijker je voor te stellen hoe iemand een wiel uitvindt of het vuur ontdekt, dan om je in te beelden hoe technologie over vele generaties wordt doorgegeven of juist verloren gaat. Een mens hoort toch het liefst verhalen over mensen, en niet over processen.”