Vreemde poncho’s in de kast

Serie over 7 dames die voor hun eigen veiligheid achter een cijferslot wonen. Met in de hoofdrol mevrouw Niterink (86), de moeder van Tosca Niterink.

Foto Anita Janssen

‘De dokter heeft me gebeld omdat het niet goed gaat met je moeder”, vertelt mijn nicht door de telefoon. „Ik wil je niet bang maken”, zegt ze er achteraan.

„Nee natuurlijk niet”, antwoord ik monter terwijl er een lauwe angstvlam uit mijn kont glijdt.

„Niks om je zorgen over te maken.”

„Tuurlijk niet.” (Koude prikkels waaieren over mijn rug.)

„Ze heeft hartkloppingen en wil niet eten, niks ergs, maar de dokter zei ook: ‘Het is geen goed teken.’”

„Jeetje.” (Bevroren prikkeldraad in mijn nek.)

„Maar maak je niet druk, ik wou het je toch even zeggen. „

„Ja, tuurlijk en ben jij...”

„Ja, ik was bij haar en schrok me dood.”

„O, toch wel.” (Kleine scherpe ijspegeltjes prikken links en rechts op mijn achterhoofd) „Hoezo?”

„Hoe ze eruitzag: zo mager, zo verzwakt. Ze had geen trek en wilde haar bed niet uit.”

„Ach.” (Ik leg mijn hand op de telefoon zodat ze me niet hoort hijgen.)

„Tosca!”, roept ze, „ik meen het, ik maak me zorgen.”

„Tuurlijk”, probeer ik begrijpend.

„Nee, ik meen het echt!”

„Ja natuurlijk!”

„Je zal het wel overdreven vinden...”

„Helemaal niet.”

„Maar ik maak me echt zorgen, ze vroeg wat er hierna is. Toen zei ik dat ze iedereen weer zou zien: haar moeder, haar vader, tante Spons”, voegt ze er een beetje hulpeloos aan toe, „ik weet het ook niet.”

„Ik ga vanmiddag even bij haar kijken”, antwoord ik. „En dan nog iets”, gaat mijn nicht verder, „er hangen allemaal hele rare ponchoachtige truien in haar kast. Weet jij hoe die dingen daar komen?”

„Geen idee.”

Ze zit lijkbleek te knikkebollen op de bank naast haar nieuwe plakvriendin ‘Zeg maar Sylvia’.

„Het gaat weer wat beter met haar”, fluistert de zuster, „misschien zijn het bijwerkingen van haar medicatie tegen wanen, dus dat krijgt ze niet meer.”

„Wordt ze dan niet weer paranoïde?”, vraag ik.

„We zullen zien”, ze gooit een lepel pannekoekenbeslag in de sissende olie.

Mijn moeder opent haar ogen en zegt zonder haar lippen te bewegen: „Bemoei je niet met al dat tuig! Want”, ze maakt dwingende wenkbewegingen totdat ik met mijn hoofd vlakbij haar gezicht ben, dan begint ze met stijve lippen te spellen: „R O dubbel D E L!”

„We hebben een cadeautje voor u”, probeert Annie haar af te leiden en tovert een belachelijk ponchogeval uit haar tas van zwart pluiswol met zilverdraad en dansende pompoentjes.

Ik schaam me, dit gaat te ver. „Nee, dat vindt ze mooi!” zei Annie op de markt.

„Is dat voor mij?”, roept mijn moeder verguld.

„Ja hoor!”

„Kind wat snoezig. Al die balletjes!”

„Allemaal voor u”, piept Annie joviaal.

„Allemaal?”, vraagt mijn moeder, „dat zijn er heel wat.” Ze begint ze te tellen. „Achterop zitten er nog”, zegt Annie.

Mevrouw Glims slaat uitnodigend op de stoel naast haar, maar mijn moeder wil geen pannekoeken eten aan het tafeltje van Glims en Map.

„Die rotwijven!”, lispelt ze voordat ze aanvalt op haar flensje met gember en stroop.

Annie vindt het zielig voor Glims en schuift aan. „Bent u hier aangesteld om ons te amuseren?”, informeert Glims. „Ik heb acht kinderen”, deelt Map mede. „Dat vind ik wel een moeilijke examenvraag op de vroege ochtend”, antwoordt Glims.