Twee eigenwijze renaissance- schilders uit Florence

Met de schitterende dubbeltentoonstelling van Jacopo Pontormo en Rosso Fiorentino haalt Florence twee schilders uit de zestiende eeuw uit de schaduw van de giganten Rafael en Michelangelo.

Renaissanceschilder Jacopo Pontormo is een ontdekking van de vroege twintigste eeuw. Uit de bronnen komt hij naar voren als een wat eigenaardig man, die af en toe de eenzaamheid van een nabijgelegen kartuizerklooster opzoekt. Daarmee beantwoordt hij aan een beeld van de moderne, non-conformistische kunstenaar, wiens werk uitnodigt tot het zoeken naar sporen van een getroebleerde geest. Pontormo’s kleuren, immers, zijn helder maar onnatuurlijk, zijn figuren elegant maar verwrongen, en hun gelaatsuitdrukkingen doen niet zelden angst, wanhoop of minstens een soort van existentiële onzekerheid vermoeden.

Maar Pontormo was niet alleen een eenzame zwoeger. Hij was in Florence ook een gerespecteerd hofkunstenaar van de machtige Medici-familie. Dat aspect van zijn artistieke activiteit wordt benadrukt in een schitterende expositie in Palazzo Strozzi in Florence en afgezet tegen de loopbaan van Rosso Fiorentino, een even oude schilder die ook in Florence actief was. Kennelijk had Rosso andere politieke voorkeuren, waardoor hij het heel wat moeilijker had. Hij werkte vooral voor opdrachtgevers buiten de stad en zou de laatste acht jaar van zijn carrière doorbrengen in Fontainebleau, als hofschilder van de Franse koning Frans I.

Jacopo Pontormo (1494-1557) en Rosso Fiorentino (1494-1540), allebei genoemd naar hun geboorteplaats, behoren tot een fascinerende generatie Italiaanse kunstenaars. In het atelier van meester Andrea del Sarto waren ze beiden opgeleid in de schaduw van de giganten Rafael en Michelangelo die werden bejubeld om hun feilloze beheersing van compositie en menselijke anatomie, en hun vermogen zowel de natuur als de klassieken na te volgen en zelfs te overtreffen. Hoe Pontormo en Fiorentino daarna hun eigen weg gingen, toont de expositie aan de hand van zo’n honderd – gedeeltelijk speciaal voor de gelegenheid gerestaureerde – schilderijen, tekeningen, prenten en fresco’s.

Het bekendste werk van Pontormo is misschien het altaarstuk dat hij omstreeks 1528 maakte voor de kapel van de familie Capponi: een wervelende compositie met veel figuren die het beeldvlak bijna volledig bedekken. Gehuld in zuurstokachtig roze, blauwe en groene gewaden, lijken ze te cirkelen rondom de gestorven Christus en zijn rouwende moeder Maria. Dit indrukwekkende werk, waarvan de precieze thematiek onmogelijk kan worden vastgesteld, is niet op de expositie, maar wel in de buurt te bekijken, op zijn gebruikelijke plaats in de kerk van Santa Felicita in Florence. Wel zijn op de expositie enkele virtuoze tekeningen die de kunstenaar ter voorbereiding van het altaarstuk maakte.

Een vergelijkbaar kunstwerk, doorgaans verstopt op een plaats waar je niet gemakkelijk komt, is de Visitatie uit de parochiekerk van het Toscaanse Carmignano. Het twee meter hoge altaarstuk toont de bijbelse episode van de zwangere Maria die een bezoek brengt aan haar oudere nicht Elizabeth. Merkwaardig aan de voorstelling is dat niet alleen de hoofdrolspeelsters aanwezig zijn, groot en massief en toch bevallig in het begin van een omhelzing. Achter hen staan vrouwen die het bijbelverhaal niet vermeldt. Het wandbordje mag dan wel zeggen dat het op grond van uiterlijk en leeftijd gaat om een soort „alter ego’s” van Maria en haar nicht, maar dat verklaart nog niet de ongehoorde vrijheid die de schilder zich in dat geval zou hebben veroorloofd in de uitbeelding van een van de belangrijkste Mariafeesten.

Hoe triomfantelijk de kennismaking (of het weerzien) met dit soort werken van Jacopo Pontormo ook is, nog indrukwekkender zijn de schilderijen van Rosso Fiorentino. Of diens rusteloze reizen van Florence naar plaatsen als Volterra, Napels en uiteindelijk Fontainebleau nu werkelijk zo sterk is bepaald door republikeinse opvattingen van de kunstenaar, valt nog te bezien. Hoe dan ook laat Rosso zich in de expositie kennen als een kunstenaar die zich in eigenzinnigheid kan meten met Pontormo. Beiden kenden de kneepjes van de gepolijst gracieuze stijl die sinds de jaren twintig van de zestiende eeuw overal in Italië in zwang kwam. Pontormo hanteerde er een zeer eigen interpretatie van, die hij, in compositie, detaillering en opbollende gewaden, opvallend vermengde met invloeden van Duitse prenten als die van Dürer. Rosso lijkt soms te hebben gekozen voor een bewust onelegante, zelfs houterige stijl, waarin onnatuurlijke proporties, scherpe plooien en extreme gezichtsuitdrukkingen bijdragen tot een soms wat ongemakkelijk maar altijd expressief resultaat.

Rosso’s vroege altaarstuk Maria met Kind en heiligen uit 1518 is daar een mooi voorbeeld van. Het toont de langgerekte figuren ten voeten uit, en wel zo dat er van de achtergrond zo goed als niets te zien is. Rosso’s tijdgenoot Giorgio Vasari schrijft in zijn biografie van de kunstenaar dat de opdrachtgever al schrok van de voorbereidende tekeningen omdat „de heiligen hem als duivels voorkwamen”. Nu zou Rosso de gewoonte hebben gehad gelaatsuitdrukkingen in zijn schetsen te overdrijven, maar ook in het schilderij valt een vlakheid in de figuren op, en een knerpende expressie in het tanige lichaam en de spitse trekken van de heilige Hiëronymus.

Evenzeer als, of misschien zelf meer dan Pontormo, moet Rosso Fiorentino een eigenwijze schilder zijn geweest. Het classicisme en de elegantie die hij pas in Fontainebleau weer zou omarmen, wisselde hij moeiteloos in voor een compromisloos uitdrukkingsvolle manier van werken. In een overvolle, in gloeiende kleuren geschilderde Graflegging van Christus uit 1528 bijvoorbeeld, is het gehannes met een gestorven lichaam terwijl dat door omstanders wordt beweend, bijna pijnlijk getroffen. En, misschien om de onmenselijkheid van de beulen te benadrukken, is een van hen voorzien van een kop die nauwelijks anders kan worden geïnterpreteerd dan als die van een aap.