Ruf: spin in kunstweb

Hoe maakte Beatrix Ruf, de nieuwe directeur van het Stedelijk Museum Amsterdam, carrière? Een rondgang door Zürich. „Beatrix weet wie de power bezit.”

Beatrix Ruf in 2012 tijdens de opening van een expositie in de Kunsthalle in Zürich.
Beatrix Ruf in 2012 tijdens de opening van een expositie in de Kunsthalle in Zürich. Foto Thies Wachter

De Limmat-wijk in Zürich, de grootste stad en het voornaamste zakencentrum van Zwitserland, is zo’n negentiende-eeuwse buurt waar woonblokken en industriële gebouwen broederlijk door elkaar staan. Maar de industrie is weg, afgezien van een elektriciteitscentrale. De voormalige scheepswerven zijn tot ‘Schauspielhaus’ verbouwd, in andere bedrijfsgebouwen zijn restaurantjes en galeries gekomen. Elders zijn – onvermijdelijk onderdeel van de ‘gentrification’ van het gebied – luxe flats verrezen op voormalige bedrijfsterreinen, of blokken arbeiderswoningen en fabrieksgebouwen verbouwd tot zulke flats.

Dat geldt niet voor de voormalige Löwenbräu-brouwerij, met zijn bijna tweehonderd meter lange, karakteristieke gevel van rode baksteen. Daar is, in een sterk staaltje van privaat-particuliere samenwerking op kunstgebied, een complex ontstaan waarvan de Kunsthalle Zürich het bekendste onderdeel is. Hier is Beatrix Ruf (1960), de nieuwe directeur van de Stedelijk Museum Amsterdam, groot geworden, dit is haar basis, haar roem, haar springplank.

„We gaan haar missen”, zegt Mark Reutter, voorzitter van de Verein Kunsthalle Zürich, Rufs werkgever. „Maar directeur van een kunsthal is niet het soort baan waarin je je pensioen haalt. Dus na dertien jaar laten we haar gaan, met pijn in het hart.” Tenslotte was in 1985 de kunsthal van Zürich ook juist opgericht als een aanvulling op al die oerdegelijke musea die de stad al rijk was. Een instelling zonder collectie, die een draaischijf kon zijn voor eigentijdse kunst – eerdere initiatieven in die richting waren in Zürich een vroegtijdige dood gestorven.

Dat het nu lukte – wat heet, een eclatant succes werd – komt in niet geringe mate door de in 2001 aangetreden Beatrix Ruf. Haar neus voor belangrijke kunstenaars, vaak nog voordat ze internationaal doorbreken, wat ze ook opmerkelijk vaak doen; haar door tomeloze ijver en onvermoeibaar reizen opgebouwde netwerk en inzicht – niet alleen kunst-inhoudelijk, maar ook bij het aanboren van geldbronnen. Zonder haar was het Löwenbräu-complex nooit zo indrukwekkend verbouwd, zegt Bob van Orsouw, die een van de zes kunstgalerieën in het gebouw bezit. „Het gaat er altijd om wie de power bezit. En Beatrix weet hoe, en met wie.”

Machtige partijen

In het Löwenbräu-project participeren machtige partijen, weet Van Orsouw: het kunstmuseum van de Zwitserse supermarktketen Migros, dat in tegenstelling tot de Kunsthalle een eigen collectie heeft, en de topgalerie van Hauser & Wirth, die ook in Londen en New York present is. Maar wie geeft de plek zijn internationale faam en maakt hem internationaal tot een van de belangrijkste adressen ter wereld in eigentijdse kunst? Dat deed Ruf, zegt Van Orsouw.

Zwitserland is een land van verzamelaars, sinds de negentiende eeuw. Alleen Zürich al telt zo’n vijftig musea van allerlei aard, en menigeen met geld belegt in een verzameling, al of niet van kunstwerken. Ook in kleinere plaatsen is op die manier soms een aardig museum met een eigen collectie ontstaan, en het is in deze wereld dat Beatrix Ruf carrière had gemaakt, voordat ze directeur van de Kunsthalle werd. Geboren is ze in Zuid-Duitsland, in Singen, net over de grens. Reutter dicht haar op grond daarvan een affiniteit met de Zwitserse mentaliteit toe. De in haar geboortestreek gebezigde streektaal, het Alemannisch, maakt het voor haar relatief eenvoudig de vele varianten van het Zwitserduits te verstaan, maar zij drukt zich daar niet in uit.

Danseres

Haar aanvankelijke bedoeling, aan het Conservatorium in de Oostenrijkse hoofdstad Wenen, was een carrière als danser of choreograaf. Maar die opzet week – onder andere door het contact met performancekunst – al snel voor de ambitie kunstcurator te worden. Ze studeerde ook aan de universiteiten van Wenen en Zürich – museologie, psychologie, etnologie, filosofie.

Haar eerste baan als curator was in 1994 aan het Kunstmuseum van het Zwitserse kanton Thurgau, dat een collectie heeft van vooral naïeve schilders, en werk van kunstenaars uit deze streek rond de Bodensee. In die tijd wist Ruf ook al leden van de internationale top, zoals de Servische performancekunstenares Marina Abramovic, te verlokken om op te treden in de kelders van een verbouwd klooster in Ittingen, waar het museum was gevestigd. In 1998 werd Ruf directeur van het Kunsthaus in het industriestadje Glarus, dat in veel opzichten het prototype van een Zwitsers museum in de provincie is: de in een Kunstverein verenigde burgers van de stad hebben sinds 1870 voor hun collectie steeds werken van Zwitserse kunstenaars aangekocht.

In 2001 volgde de aanstelling bij de Kunsthalle in Zürich, die sinds 1996 was ondergebracht in de voormalige Löwenbräu-brouwerij. Haar eerste artistieke daad was om enkele door haar voorganger, Bernhard Mendes Bürgi, in de hal van de voormalige bottelarij opgetrokken muren te laten stukslaan – niet door een aannemer maar door het Scandinavische kunstenaarsduo Michael Elmgreen en Ingar Dragset. Meteen de eerste manifestatie.

De huisvesting in de voormalige brouwerij, ook toen al samen met het Kunstmuseum Migros en enkele galeries, leek tijdelijk. Het complex was in handen van een speculant die perspectief zag in de bouw van luxeflats. Ruf bewoog hemel en aarde, bewerkte de stad Zürich en maakte gebruik van haar inmiddels opgebouwde netwerk van gefortuneerde kunstliefhebbers. Er kwam een plan: de Löwenbräu Kunst AG werd opgericht, met aandeelhouders die elk voor eenderde participeerden – het Kunstmuseum Migros, de stad Zürich en de nieuw opgerichte Stiftung Kunsthalle Zürich. In die stichting, die naast de bestaande Verein Kunsthalle Zürich kwam te staan, was de drijvende kracht Maja Hoffmann, erfgename van het internationale farmaceutisch concern Hoffmann-La Roche.

Voor het totale project was in totaal zo’n 65 miljoen frank (ongeveer 54 miljoen euro) nodig, te besteden aan het zogenaamde ‘Baurecht’ voor het complex – een soort langdurige lease – en de gedeeltelijke afbraak en wederopbouw. In het ontwerp van het architectenbureau Annette Gigon/Mike Guyer kwam bovenop het gebouw van rode baksteen een witte kubus, of eigenlijk een hele verdieping, waarin zich onder andere de 1.600 vierkante meter van de Kunsthalle bevinden.

Hoezeer Ruf inmiddels een spin in het internationale kunstweb geworden was, bleek bij de benefietveiling voor de inrichting van de Kunsthalle die de Stiftung in 2012 organiseerde bij Christie’s in Londen: de door bevriende kunstenaars om niet ter beschikking gestelde werken brachten ongeveer 3 miljoen euro op.

Conflict

Achteraf ontstond vorig jaar een conflict tussen de voorzitter van de Verein Kunsthalle, de voormalige biermagnaat Werner Dubach, en de door Maja Hoffmann geleide Stiftung Kunsthalle. In zijn ontslagbrief beklaagde Dubach zich bitter over de gebrekkige afspraken over de bevoegdheden van beide instellingen. Ruf koos in dat conflict – dat de huidige voorzitter van de Verein vooral wijt aan Dubachs autoritaire manier van doen – de zijde van Hoffmann.

Met haar heeft ze trouwens meer van doen. Naast de Kunsthalle, maar organisatorisch los daarvan, is sinds kort de instelling Look gevestigd, een curatorenopleiding die zich mede ten doel stelt verzamelaars en jonge kunstenaars tot elkaar te brengen. Look, waaraan Ruf meewerkt, is een initiatief van de door Hoffmann geleide stichting Luma, die in het Franse Arles inmiddels de gebouwen van de Rencontres voor fotografie heeft overgenomen en daarmee, zeggen lokale critici, eigenlijk ook de manifestatie zelf.

Hoffmann is maar een van de gefortuneerde kunstinvesteerders in Rufs netwerk. Ze adviseert bijvoorbeeld sinds 1996 de Zwitserse uitgever Michael Ringier bij de aanschaf van diens inmiddels zeer omvangrijke collectie en is ook curator van de kunstverzameling van het herverzekeringsbedrijf Swiss Re. Dat heeft in het verleden nauwelijks tot enig conflict met het directeurschap van de mede door stad en kanton gesubsidieerde Kunsthalle geleid, zegt voorzitter Reutter van de Verein. De combinatie van functies is historisch gegroeid: de Verein kon bij haar aantreden in 2001 geen volledige dienstbetrekking bieden. Wel overweegt de Verein – op zoek naar een nieuwe directeur – dat nu wellicht anders te doen. Zoals men zich trouwens ook afvraagt of een nieuwe directeur niet meer aan Zwitserse kunstenaars moet doen.

Alexander Ribbink, voorzitter van de raad van toezicht van het Stedelijk Museum in Amsterdam, voorziet geen problemen. Ruf heeft bij het Stedelijk een volledige dienstbetrekking, zodat zij andere functies alleen met toestemming van de raad op basis van dagvergoeding kan aannemen. Het Stedelijk is er juist erg vóór dat zijn directeur haar internationale netwerken onderhoudt en uitbouwt, de zakelijke net zo goed als de kunstzinnige.

Dat lijkt ook Gijs van Tuyl, directeur van het Stedelijk van 2004 tot 2009, een uitstekend idee. „Art goes where money flows, daar moet je bij zijn.” Hij is erg blij met Rufs benoeming: „Ik had met haar gewerkt in mijn tijd als directeur van het Kunstmuseum in Wolfsburg. Ze is vriendelijk en krachtig. Ik had haar vijf jaar geleden al aanbevolen.”

Het Stedelijk Museum is natuurlijk wel iets anders dan de Kunsthalle: van ongeveer 25.000 bezoekers per jaar naar honderdduizenden, van tien medewerkers naar zo’n 150, van geen collectie naar een beroemde. Van de chique wereld van de Zwitserse haute finance naar de Amsterdamse gemeentepolitiek. Van Tuyl kan zich zijn overgang van Wolfsburg naar Amsterdam nog wel herinneren: „De ene dag zit je tegenover de CEO van Volkswagen, de dag erna tegenover een Amsterdamse wethouder. Bestuurlijk voelt dat toch als een stapje terug.” Maar hij heeft er „honderd procent vertrouwen” in dat Beatrix Ruf er ook in Amsterdam een succes van maakt.