Ongemotiveerd kom je ook een heel eind

Dat is toch raar. Nederlandse leerlingen behoren tot de minst gemotiveerde ter wereld. Ze houden niet echt van leren en bij een flink deel van de lessen zijn ze onvoldoende betrokken. Maar tegelijk scoren diezelfde Nederlandse leerlingen op het gebied van taal en wiskunde op internationale rangslijstjes altijd een plekje in de (sub)top. Ongemotiveerd én succesvol: hoe is dat fenomeen te verklaren?

De Inspectie voor het Onderwijs vroeg in haar gisteren verschenen Staat van het Onderwijs aandacht voor de gebrekkige motivatie van de Nederlandse scholier. In het onderwijsverslag, dat eens per jaar uitkomt, schrijft de inspectie dat veel leerlingen ‘het recht op onderwijs louter als een plicht ervaren’. Ze hebben het prima naar hun zin op school, maar van leren houden ze niet.

De inspectie zet een aantal internationale onderzoeken van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) op een rij, en koppelt die aan eigen observaties. Wat blijkt? Bijna nergens in de ontwikkelde wereld hebben leerlingen zo weinig plezier in lezen en wiskunde als in Nederland. En de inspecteurs noteerden bij hun schoolbezoeken een flink aantal lessen waar leerlingen met iets anders bezig waren dan leren: in het basisonderwijs 9 procent van de lessen en in het voortgezet onderwijs 21 procent.

Toch doet Nederland het goed

Maar daar tegenover staan de uitkomsten van andere onderzoeken. De OESO meet in 65 landen de prestaties van 15-jarige scholieren op het gebied van wiskunde, leesvaardigheid en natuurwetenschappen. Nederland stond in 2013 gemiddeld over die drie onderdelen op de dertiende plaats. Het waren vooral Aziatische landen die hoger stonden. Vergleken met andere Europese landen doet Nederland het goed.

En dat is eigenlijk best logisch, zegt Adriaan Hofman, hoogleraar onderwijsstudies aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. „Wij hebben in Nederland een goed functionerend onderwijssysteem, met goede leraren. Met al het geld dat we aan onderwijs uitgeven en alle energie die we erin stoppen, zou het eigenlijk raar zijn als we niet in de subtop zouden zitten.”

Volgens Theo Wubbels, hoogleraar onderwijswetenschappen aan de Universiteit Utrecht, lijkt het erop dat Nederlandse leraren didactisch zo goed zijn dat ze ook bij niet bijzonder gemotiveerde leerlingen het beste eruit halen. De mate waarin leerlingen plezier beleven aan het onderwijs is sowieso niet van doorslaggevend belang voor hun resultaten, zegt hij. „Deze intrinsieke motivatie van een leerling heeft wel enig effect op zijn prestaties, maar de impact ervan wordt overschat. Motivatie die van buitenaf komt, zoals strenge eisen stellen en voor een cijfer moeten werken, bepaalt een veel groter deel van de resultaten. Bijkomend voordeel hiervan: het is makkelijker leerlingen op deze manier te motiveren, dan hun plezier in het onderwijs te vergroten.”

Plezier is geen succesgarantie

Ook hoogleraar onderwijskunde Roel Bosker van de Rijksuniversiteit Groningen zegt dat externe prikkels belangrijk zijn om scholieren tot leren aan te zetten. „Kennelijk doen Nederlandse leerlingen het goed, omdat het moet.” Plezier in onderwijs is mooi meegenomen, maar het is geen goede voorspeller van resultaten, zegt Bosker. „Op de ranglijst van landen waar kinderen intrinsiek zeer gemotiveerd zijn, staat een land als Mexico bovenaan. Dat scoort inhoudelijk slecht. Terwijl leerlingen in landen als Nederland en Finland minder zin hebben in school, maar wel betere resultaten halen. Je zou bijna zeggen dat er een omgekeerd verband bestaat tussen leerplezier en leerprestaties.”

Toch zijn de experts het er over eens dat er winst te behalen valt door Nederlandse leerlingen te motiveren zich meer in te spannen op school en het leerplezier te vergroten. Wilfried Admiraal, hoogleraar onderwijskunde en directeur onderzoek van de lerarenopleiding van de Universiteit Leiden, denkt dat de leerlingen die minder gemotiveerd zijn misschien de meer begaafde scholieren zijn. „We hebben in Nederland een nivellerend onderwijssysteem. De meeste leerlingen brengen we naar een prima gemiddeld niveau. Maar dat is niet voor elke leerling even uitdagend. Uit internationale vergelijkingen blijkt namelijk ook dat wij er niet in slagen onze beste leerlingen op het niveau van de beste leerlingen in het buitenland te brengen. Met uitdagender onderwijs gaan zij misschien harder werken, en beter presteren.”

Annette Roeters, inspecteur-generaal van het onderwijs, zegt in een reactie op de bevindingen van haar inspectie dat ze uitgebreid met leerlingen gesproken heeft over zaken als plezier en motivatie. „Zij vertellen ons dat de motivatie wegzakt als ze weten dat ze voor een opdracht geen cijfer krijgen. En als het wel voor een cijfer is, gaan ze niet tot het uiterste. Een zes vinden ze genoeg. Als je ze vraagt om met oplossingen te komen, zoeken ze die vaak bij de leraar. Die moet ervoor zorgen dat de les beter aansluit bij hun belevingswereld. Laat hem bijvoorbeeld een quiz geven waarbij we de antwoorden met onze telefoons kunnen geven, zeggen ze.”

Lekker swipen dan maar?

Elke leerling een tablet geven, en ze lekker laten swipen, is dat dan de oplossing? Zeker niet, zegt Theo Bastiaens, hoogleraar onderwijstechnologie aan de Open Universiteit. „De nieuwe technologie is er, en gaat nooit meer weg. Maar het gaat niet om de toeters en bellen. Uit onderzoeken blijkt dat als je kinderen laat leren via computergames, het zogenoemde serious gaming, hun motivatie even toeneemt, maar al snel weer afvlakt. Het gaat erom dat je leerlingen motiveert om te leren. Dat is een dynamisch proces, want geen leerling is hetzelfde. De docent van de toekomst is geen zendende onderwijsgever, maar een onderwijsmaker. Helaas zijn veel leraren hier niet klaar voor.”

Jan Walburg, hoogleraar positieve psychologie aan de Universiteit Twente, zegt dat het „heel verrassend” is dat kinderen, „die eigenlijk niets liever doen dan leren”, zo weinig gemotiveerd zijn. „Uit onderzoek komt naar voren dat leerlingen beter presteren als niet het resultaat wordt benadrukt, maar het proces van het leren”, zegt hij. „Dan durven leerlingen meer, leren ze meer, hebben ze meer plezier én leggen ze de lat hoger.”

Dat Nederlandse kinderen in wezen anders zijn dan hun leeftijdsgenoten elders in West-Europa, wil er bij Walburg niet in. „Dat er hier zo weinig plezier in het leren is, heeft dus te maken met het onderwijssysteem. Scholen moeten zich meer richten op plezier in het leren. Dat lijkt misschien niet flink ten opzichte van de ouders, maar de resultaten worden er beter van.”