Kaapstad is de mooiste leugen ter wereld

I k was gewaarschuwd voor deze stad, en meer dan een enkele maal. Een stad van boomknuffelaars, acupuncturisten en sterrenwichelaars, te midden van de meest schrijnende armoede op het continent. „Kaapstad”, vatte een collega het lot van deze stad eens treffend samen, „is de mooiste leugen ter wereld.”

Desondanks was de lokroep van de meest zuidwestelijke punt van Afrika zo onweerstaanbaar dat op een ochtend in april, na een zeereis van enkele maanden, mijn meubels in mijn nieuwe appartement in Zeepunt arriveerden. Er kon bijna niks mis gaan. De jongens van het verhuisbedrijf kwamen weliswaar twee uur later dan de afgesproken tijd, maar ze begroetten me alleraardigst met de traditionele palm-duim-palm hand. „Koffie?”, vroeg ik nog.

De groep verhuizers was een afspiegeling van de Kaap: Xhosa-sprekende mannen, meest migranten uit de Oost-Kaap. Ze werden geleid door een Congolees,afgestudeerd in de klassieke talen aan de universiteit Kinshasa vertelde hij, terwijl hij de lijst met meubels uit Istanbul afstreepte. De wereld in een vrachtwagen.

H et weerzien met mijn meubels na al die maanden voelde als thuiskomen. Ze waren de wereld rond geweest, vertelden een verhaal: die meubels en ik. Het duurde even voor ze boven waren, dat wel. Tegen de tijd dat de zon achter Robbeneiland zakte, werd ik ongeduldig. De twee grootste meubelstukken stonden nog altijd buiten in het plastic: een driezitsbank en een kast van enig gewicht. De driezits werd met veel geweld over het balkon naar binnen gehoosd. Ik hing zelf mee in de touwen.

Toen die kast nog. Te zwaar voor de touwen. Te breed voor de voordeur, leek me. Maar volgens de Congolees kon dat ding door die deur. Ik woon op de derde, en tegen de tijd dat de verhuizers met de kast en veel kabaal de trap op de eerste verdieping gepasseerd waren, kwam het gebouw in opstand. Als eerste meldde de benedenbuurman zich. Hij stond plots voor me en vroeg – met Frans accent – of ik die mannen wel in de gaten hield. Ik schatte hem even in. Bang voor zwarten? Of bang voor lawaai? „Ze hebben een zware dag”, suste ik. „Laat ze nog even.” Buurman verdween.

De kast bereikte de derde verdieping. De verhuizers liepen rood aan, terwijl de Congolees hen luidkeels aanmoedigde. „Weet je waarom Zuid-Afrika zo goed werkt”, vroeg hij mij in het Frans. „Omdat de blanken hier veel langer aan de macht zijn gebleven. Ze hadden in Congo moeten blijven. Dan was het niet zo’n puinhoop geworden in mijn vaderland”, sprak hij zo hard, dat zijn woorden de trap afrolden.

E en tweede buur meldde zich: een blanke vrouw op leeftijd, met schort. „Er staat al de hele dag een vrachtwagen voor mijn deur. Ik kan er niet meer tegen. Ik wil ruimte, ik wil rust”, brieste ze, pollepel in de hand. Ik stak mijn hand uit: „Hallo, ik ben Bram, uw nieuwe buurman.” Daar schrok ze van. „Ik ben erg op mijn rust gesteld, moet u weten. Ik ben zeer op mezelf.” Achter haar barstte een hels kabaal los. De Congolees probeerde met vereende kracht de kast zo te draaien dat hij door mijn voordeur paste. De hoek van de kaste rukte een stuk hechtpleister van de gangmuur. Bubbeltjesplastic dwarrelde naar beneden in het trappenhuis.

Aan de overkant van de gang ging een deur open. Mijn overbuur, een blonde dame, juist onder de douche vandaan. „Weet u wat u even moet doen”, sprak ze op kalmerende toon tegen de oudere vrouw, terwijl ze als een hindoeïstische priester haar handen boven haar hoofd hield. „Zeg maar na: namasté. Dat helpt.’’ „Namasté?” zei de oudere vrouw. „Daar heb ik nog nooit van gehoord.” Achter haar rug schudde de Congolees woest zijn hoofd. Hij zou zweren dat die kast door mijn voordeur paste. Buurvrouw hield haar handen boven haar hoofd gevouwen en knipoogde naar de Congolees. „Namasté.”