‘Ik sta hier in Milaan met de broek op mijn knieën’

Hij liet de Salone del Mobile in Milaan drie jaar links liggen. Bij zijn terugkeer won Maarten Baas zondag meteen de prijs voor de beste show van het designevenement.

Baas is in town – weinig bezoekers aan de Salone del Mobile in Milaan zal het afgelopen week zijn ontgaan. Na een afwezigheid van drie jaar was ontwerper Maarten Baas (36) terug in de stad waar hij vanaf 2003 internationaal naam maakte. Eerst als pyromaan, met zijn half verkoolde Smoke-meubels, en later onder meer met stoelen van klei, videoklokken en een curieuze iPhone-app. Zijn grillig gevormde maar elegante kleistoelen en -tafel zijn de laatste jaren ook bekend van het decor van het tv-programma Zomergasten.

Baas pakte groots uit bij zijn terugkeer op het belangrijkste designpodium. Vier weken geleden reed hij met een vrachtwagen vol materialen naar Milaan om met een groep bevriende ontwerpers en kunstenaars in een grote garage vlakbij de Dom een tentoonstelling te maken. Baas is in town werd een show die de draak stak met de dikdoenerij die de Salone aankleeft.

Met knalgele affiches, een auto met megafoon en een hilarisch online onzindagboek vestigde Baas de aandacht op zijn circus-achtige presentatie. De verduisterde, 600 vierkante meter grote garage stond vol groteske meubels en objecten, zoals lachspiegels en een kauwgomballenautomaat gevuld met antidepressiva. De bezoekers kwamen ogen en oren tekort, want overal knipperden lampjes, er was een carrousel, er liepen echte clowns en er klonk gekmakende draaiorgelmuziek.

Met Baas is in town wilde hij energie uitstralen, zegt de ontwerper. „Iets vets doen, gaan met die banaan en niet op mijn lauweren rusten.”

Waarom was u drie jaar niet in Milaan?

„Deels omdat het zo’n gedoe is. Elk jaar een grote show kost veel energie. Zeker voor een zzp’er die geen groot merk achter zich heeft staan. Tegelijk vond ik het tijd om even niks te doen. In Milaan probeer ik altijd iets noodzakelijks te doen, een leegte te vullen. De afgelopen jaren vond ik niet-maken belangrijk. Dus even niet per se doorpompen, steeds opnieuw met iets nieuws komen omdat dat nu eenmaal de verwachting is. Zo’n ambitie schreeuw je niet van de daken. Maar voor mezelf was het een belangrijk statement.”

Als je niets te vertellen hebt, moet je je stil houden?

„Zoiets, ja. De economische crisis viel samen met een morele impasse, een getemperde tijd. Dan moet je niet proberen een krokusbolletje te zijn dat midden in de winter tot bloei komt. Gewoon rustig wachten tot het tij keert.”

De jaren dat hij in Milaan verstek liet gaan, richtte Baas met zijn vaste producent Bas den Herder een productiehuis op waar diverse ontwerpers handgemaakte meubels in kleine series kunnen laten vervaardigen. Als ontwerper deed hij het zelf rustig aan. Voor Gispen en voor modehuis Louis Vuitton ontwierp Baas een stoel, en voor de Bossche theatergroep Matzer vorig jaar het decor voor Alsof het voorbij is, de bewerking van een boek van Julian Barnes. Dat laatste beviel hem goed, zegt Baas: „Voor mij is design een platform voor alles wat creatief is, in de breedste zin van het woord. En toneel was ook zo leuk, omdat ik mijn meubels altijd heb beschouwd als decorstukken voor in huis. Met mijn ontwerpen wil ik verhalen vertellen, meer dan dat ik op zoek ben naar de beste techniek of productie.”

Waarom was de tijd rijp voor een nieuwe grote presentatie in Milaan?

„Met die vraag heb ik lang gestoeid. Ik heb met de Salone altijd een haat-liefdeverhouding gehad. Leuk vind ik de enorme breedte, de zindering, de wil om er het beste van te maken. Die power zie je zowel bij grote industriële bedrijven als bij kleine creatieven.

„Tegelijk is de beurs een gekkenhuis. Decadent, heel tijdelijk en buitengewoon verspillend. Hoeveel energie kost dit festijn niet? En wat wordt er aan het einde van de rit niet allemaal weggeflikkerd? Zoveel heisa voor een paar meubeltjes, daar heb ik moeite mee. En zelfs als ik een tegenvoorbeeld wil stellen, doe ik toch mee aan die gekkigheid.”

De Salone vestigt toch de aandacht op bijzondere prestaties?

Met een zucht: „Tussen de hoeveelheid publiciteit die aan sommige dingen wordt gegeven en waar die hypes toe leiden, zit geen evenwicht. Het kost jonge ontwerpers veel tijd en geld om in Milaan een productierijp ontwerp te presenteren. Vervolgens mogen ze God op hun blote knieën danken als ze iets verkopen. Dat heb ik zelf ook vaak genoeg meegemaakt: een eindeloze stroom publicaties en nul verkopen. Daarom heb ik het dit keer omgedraaid: een groot deel van de objecten heb ik in twee weken met plakband in elkaar gezet. Op afstand en op foto ziet het er goed uit.”

En dan met een schaterlach: „Als een klant een echt goede stoel wil, moet hij even wachten.”

Voor een scepticus presenteert u zich dit jaar nogal opvallend.

„Ambivalentie is de kern van mijn werk geworden. Ik kan wel cynisch over dit designcircus doen, maar ik heb besloten het te omarmen. Ik heb alle bescheidenheid van me afgeschud en er een grote ego-show van gemaakt. Het is een echt circus geworden, een miniatuurversie van de clowneske beurs.”

U heeft diverse kunstenaars en ontwerpers bij uw circus betrokken. Waarom?

„Samenwerken is leuk en het biedt kansen. De laatste jaren ben ik mezelf minder als ontwerper gaan zien. Ik ben meer een editor, iemand die kansen biedt.

„Bij mij thuis hangt een poster van een kunstwerk van Teun Hocks. Daarop staat een jongleur die met letters stuntelt. De letters HOW heeft hij boven zijn hoofd, de S krijgt hij niet te pakken. Daar zag ik een mooi product in: een lichtbak met het woord SHOW waarvan de S voortdurend knippert: SHOW-HOW, SHOW-HOW. Toen ik Hocks daarover belde, reageerde hij enthousiast en mocht ik mijn gang gaan. Of ik mezelf van die lamp de ontwerper mag noemen? Dat interesseert me niet. Belangrijk is dat het product er is. Ons beider naam staat erop.

„Normaal wroeten ontwerpers en kunstenaars niet snel in andermans concepten, dat is heilig terrein. Ik ben juist nieuwsgierig of dat iets tofs kan opleveren. Bovendien leer ik er veel van. Ontwerper Bertjan Pot kwam naar me toe. Hij zei: ‘Met die klei waarmee jij kleistoelen maakt, kan nog veel meer.’ Toen zijn we samen een dagje gaan kleien en hebben we een stoel ontworpen. Heel leerzaam. Bertjan is een betere ontwerper dan ik. Het maken van een mooi en goed zittend stoeltje, daar is hij echt de beste in.”

U houdt beursbezoekers letterlijk en figuurlijk een lachspiegel voor. Is dat de domineeszoon in u?

„Ja, ik ben en blijf een domineeszoon. Ik wil altijd inspirerend zijn, iets te melden hebben. Liever dat dan geld verdienen. Dus als ik hier in Milaan bij bezoekers een lach zie of een blijk van herkenning, ben ik blij dat het me gelukt is iets van de kunstmatige ambities van de Salone door te prikken. Maar die lamp met SHOW-HOW hangt niet voor niets zo prominent in mijn tentoonstelling. Ik doe wel stoer, maar ik kan ook wakker liggen van hoe zo’n presentatie op het scherp van de snede wordt ontvangen. Baas is in town, ja, maar hij staat wel met zijn broek op zijn knieën midden op het podium.”

Als designcritici zouden schrijven dat u gek bent geworden?

„Gisteren leidde ik een Amerikaanse kennis rond. Bij het eerste object, een glimmend blok dat op en neer beweegt, trok hij een moeilijk gezicht: ‘Ooh, this is one you have to explain to me.’ Toen zei ik: ‘Laten we nog even doorlopen.’ Toen we ook de kiddy ride met een giga pofaardappel met lichtjes hadden bekeken en de draaimolen met stoelen vroeg ik: ‘Moet ik verder nog iets uitleggen?’

„Het voelt enorm vrij om niet mee te gaan met de smaakpolitie en dingen te doen die niet horen.”

Verwacht u volgend jaar nog welkom te zijn in Milaan?

„Ik ben hier ingestapt met de gedachte dat het weleens mijn laatste expositie in Milaan kan zijn, mijn afscheidstoer. Zoiets als dit moet je ook niet elk jaar willen. Dan vraag ik te veel van de mensen om me heen. En van mezelf trouwens ook.”