Het dwaze hart

Ik kreeg er zelf een beetje hartzeer van. Robert Gesink vertelde eergisteren op een persconferentie over het probleem van het boezemfibrilleren. Hij ging er nu echt iets aan laten doen. Voorlopig zou hij in geen enkele wielerkoers te zien zijn. Tegenslag blijft Gesink achtervolgen. De Condor uit Varsseveld zal zijn bijnaam opnieuw moeten verdienen.

Het hart doet al raar sinds zijn debuut bij de professionals in 2008. Niet vaak, gemiddeld een keer per jaar raakt het van de rel. Door artsen was hem verteld dat het een ongevaarlijke aandoening is, dus was hij er gewoon mee door blijven koersen. Maar toen het in de Giro van vorig jaar opnieuw door zijn borst begon te fladderen had hij doodsangsten uitgestaan. Dit keer ging het ook nog eens gepaard met een aanval van hyperventilatie. De hartproblemen in de jongste Ronde van Baskenland deden de deur dicht.

Boezemfibrilleren komt niet vaak voor bij wielrenners, maar er zijn een paar andere voorbeelden. In de Tour van 2002 piept opeens het alarmsignaal van de hartslagmeter van Stuart O’Grady. Hij kijkt op het display: 235 slagen per minuut. O’Grady schrikt er niet van, dit heeft hij vaker. En lang duurt het nooit. De paniek slaat toe als de hartritme na een minuut of tien nog even hoog is. Hij laat zich meeslepen door de auto van de rondearts die hem gebiedt de benen maar helemaal stil te houden. Pas na een uur komt het normale ritme terug, waarop de dokter zegt: „Je kunt de massasprint nog winnen, hoor.” Winnen doet O’Grady niet, maar hij gooit zich er wel tussen.

Ik zoek, en vind in mijn archief een wielertijdschrift uit mijn jeugd. Op pagina 9, twee foto’s van de Italiaan Franco Bitossi, hangend tegen een pilaar op de Col du Tourmalet. Het bijschrift luidt: „Bitossi zoekt na een hartkramp even steun. Na een razendsnelle controle van de Tourarts zet hij zijn afmattende werk voort.” Bitossi was niet onbekend met het boezemfibrilleren. Zijn hart kreeg een bijnaam: il cuore mato, het dwaze hart. Hij liet zich onderzoeken in Bologna. Daar concludeerde men dat zijn hart door psychische stress op hol sloeg. De spanningen en het luidruchtige gedrag van het publiek kon hij soms niet verwerken.

In het AD meldde Michael Boogerd, en dit wist ik niet, dat door stress en een hoog verwachtingspatroon zijn hart soms ook over de toeren raakte. „Ik dacht dat ik dood ging.” Hij kreeg het probleem onder controle door gesprekken met een psychologe, die hem leerde relativeren.

Robert Gesink ontkent dat zijn aandoening een psychische oorsprong heeft, zoals hier en daar gesuggereerd wordt. Zeker is dat koersen met een dwaas hart een mens behoorlijk nerveus kan maken.