Een parlement zonder volk

Het was vandaag in Straatsburg de laatste plenaire vergaderdag voor de 766 leden van het Europees Parlement. Na de verkiezingen van eind volgende maand zal een groot aantal van hen niet terugkeren. Of omdat ze zelf te kennen hebben gegeven niet meer beschikbaar te zijn óf omdat de kiezer anders zal beschikken. Dat het nieuwe parlement, dat in juni voor het eerst bijeenkomt, politiek aanzienlijk anders zal zijn samengesteld dan nu, staat eigenlijk al vast.

Het Europees Parlement is nog altijd een onbegrepen parlement. De macht van de Europese volksvertegenwoordiging is dankzij het in 2009 in werking getreden Verdrag van Lissabon de afgelopen legislatuur onmiskenbaar toegenomen. Maar dit is niet gepaard gegaan met toegenomen gezag bij het electoraat. Integendeel. De verwachte opkomst bij de aanstaande verkiezingen dreigt wederom dramatisch laag te worden.

Het probleem van het Europees Parlement is dat het vergeleken bij nationale parlementen maar niet tot de verbeelding wil spreken bij het electoraat. Zoals minister Timmermans (Buitenlandse Zaken. PvdA) deze week in de Eerste Kamer terecht vaststelde: „Als wetgever heeft het een hoge kwaliteit, maar het is niet de volksvertegenwoordiging waar de gemiddelde Europeaan een volksvertegenwoordiging in ziet.”

Deze vaststelling is niet nieuw. Integendeel. Maar juist daarom is de situatie zo zorgelijk. Een parlement dat in steeds meer zaken een beslissende stem krijgt – deze week schaarde een meerderheid zich achter de zeer verstrekkende Europese bankenunie – heeft een toenemend legitimiteitsprobleem. Nog meer beslissende macht opeisen, de reflex van veel Europarlementariërs, lijkt logisch maar gaat voorbij aan het kernprobleem. Een Europese volksvertegenwoordiging vereist een Europees volk. En dat is er niet.