Den Haag kan niets vinden

De overheid blijft hangen in het papieren tijdperk en heeft geen grip op elektronische informatiesystemen, meent René Moerland. Dan wordt zoeken moeilijk.

Staatssecretaris Fred Teeven
Staatssecretaris Fred Teeven foto anp

Het klonk sarcastisch, maar waarschijnlijk was Magda Berndsen bloedserieus en bedoelde ze het goed. Het Tweede-Kamerlid van D66 had vorige week een tip voor Ivo Opstelten, de minister van Veiligheid en Justitie (VVD). Misschien was het „handig”, zei de oud-politievrouw, om „ook in de papieren dossiers te kijken als ICT zo moeilijk is.” Ze bedoelde dat er bij het Openbaar Ministerie misschien nog ergens een mapje ligt waarin staat hoeveel gulden er veertien jaar geleden is overgemaakt aan crimineel Cees H., in het kader van een schikking. Naar dat bedrag is Opstelten op zoek, maar het wil niet lukken, bekende hij vorige week. Onder meer omdat het Openbaar Ministerie sinds 2000/2001 „enkele malen overstapte op een ander betalingssysteem”. Wat dat betekent? Nou, dat zoeken bij ICT-diensten dus moeilijk is. Althans, bij de overheid. Je verandert van systeem, en hop, niets meer te vinden.

Voor Kamerleden is zo’n boodschap geen verrassing. Ze horen het vaker als ze bewindslieden om opheldering vragen. Nu eens is er een storinkje waardoor een telefoontap even niet werkt (staatssecretaris Teeven). Dan weet een minister die over de inlichtingendienst gaat (Plasterk) wekenlang niet waar uitgewisselde metadata vandaan komen. Elektronische dingen, altijd lastig. Opstelten krijgt van de Kamer nog twee weken voor zijn speurtocht in de archieven.

Technologie biedt dekking

Vroeger, dat wil zeggen in het analoge tijdperk, had je ook wel eens een filmrolletje dat kwijtraakte of een multomap die tussen de bureaus gevallen moest zijn. Maar naarmate er meer digitaal wordt behandeld en bewaard, lijkt het overzicht des te hopelozer zoek. Moeten we er wat achter zoeken? De Kamer neemt al snel genoegen met verhalen over elektronische obstakels om informatie (op tijd) te leveren. Technologie biedt bewindslieden dus aantrekkelijke politieke dekking. Dat is wel in strijd met de informatieplicht aan het parlement, maar wie begrijpt er nu het fijne van? Een beetje meer strengheid zou de Kamer geen kwaad doen: een minister die in de Kamer over een moeilijke zoektocht bij ‘ICT-diensten’ begint, heeft al snel iets van een toerist zonder kaartje in de trein. I am sorry, what is ‘OV-chipcard’?

Er is ook een andere verklaring mogelijk, en die is zeker zo verontrustend: ze snappen het echt niet. Wat als de overheid gewoon geen grip kan krijgen op elektronische informatiesystemen? Een aanwijzing is dat het vaak misgaat bij te dure ICT-projecten, van het communicatiesysteem voor hulpverleningsdiensten C2000 tot de problematische ‘tunneltechnische installaties’ onder de Limburgse Rijksweg 73 rond de eeuwwisseling. Deze en andere ICT-projecten worden onderzocht door een parlementaire enquêtecommissie waarvan we eind deze maand meer gaan horen – dan beginnen de openbare verhoren. Als ICT-projecten te moeilijk zijn voor de overheid, dan zwemmen bewindslieden en het controlerende parlement. Dan is hun digitale onvermogen geen moedwil, maar een chronisch misverstand.

De digi-revolutie

Onschuldig is het in elk geval niet. Bijna dagelijks leren we meer over de gevolgen van de informatierevolutie voor het publieke domein. Bedrijven exploiteren en exploreren de ongekende mogelijkheden van de big data die over ons zijn opgeslagen. De overheid wil ook graag. Politici beginnen dan over het evenwicht tussen veiligheid en privacy. Vuistregel: hoe rechtser, hoe belangrijker veiligheid. Opslaan van telecomgegevens, kentekens, meer (mobiel) cameratoezicht, uitwisselen van inlichtingendata: hier en daar wordt wat getwijfeld, maar de grenzen verschuiven snel. De vraag is alleen of de digi-revolutie echt is doorgedrongen in het politieke denken. Tip: maak voorlopig overal een printje van. De democratische controle verkeert nog in het papieren tijdperk.