Opinie

De rijken worden een angstaanjagende elite

De Franse econoom Piketty schreef Le capital au XXIe siècle, een geruchtmakende boek over de scheve verdeling van rijkdom.

Foto Hollanse Hoogte, Franck Ferville

Hij is er nog beduusd van. De besprekingen van de net verschenen Engelse editie van Le capital au XXIe siècle waren niet gewoon goed, maar lyrisch. „Heel bijzonder”, zegt de Franse econoom Thomas Piketty, oprecht bescheiden over de hype rond zijn vuistdikke boek.

Volgens Nobelprijswinnaar Paul Krugman schreef Piketty „een boek dat de manier verandert waarop we denken over de samenleving en waarop we economie bedrijven” en Yale-politicoloog Jacob Hacker noemde Piketty met zijn Franse blik op de VS een „hedendaagse Tocqueville”.

Maar dan omgekeerd.

Want waar Alexis de Tocqueville aan het begin van de negentiende eeuw enthousiast terugkwam uit de ‘nieuwe wereld’, omdat hij een land had bereisd waar niet afkomst maar gelijkheid in het politieke debat het leidende principe was, rapporteert Piketty op grond van historische data van inkomen en vermogen juist over excessief toenemende ongelijkheid.

Niet alleen in de VS, maar in alle liberale markteconomieën hoopt vermogen (Piketty spreekt van ‘kapitaal’ – geld, beleggingen, bezittingen) op bij een kleine elite die een steeds groter deel van de taart in handen krijgt. Daarmee keert, schrijft Piketty in zijn van culturele verwijzingen bolstaande boek, een „patrimoniaal kapitalisme” uit de romans van Jane Austen en Honoré de Balzac terug.

Zonder corrigerende maatregelen – Piketty bepleit hoge belastingen op vermogen en erfenissen – gaan we een nieuw Belle Époque tegemoet: extreme economische ongelijkheid tussen een werkende massa en een rentenierende toplaag. Kort uitgelegd om één simpele reden: het rendement op vermogen is op de lange termijn met zo’n 4 tot 5 procent altijd groter dan de groei van de economie.

De gestage afname van de ongelijkheid in het midden van de twintigste eeuw was vooral het gevolg van de depressie, twee wereldoorlogen, groei en belastingen tijdens de wederopbouwperiode, zegt Piketty in zijn werkkamertje op een betongrauwe universiteitscampus aan de rand van Parijs.

„Vóór de Eerste Wereldoorlog was er geen natuurlijke beweging naar minder ongelijkheid. Naarmate ik meer gegevens kreeg, werd het patroon duidelijker: de opbrengst van vermogen groeit in normale omstandigheden steevast sneller dan de economie als geheel, waardoor de ongelijkheid toeneemt.”

U noemt dat de ‘centrale tegenstelling van het kapitalisme’.

„Rendement op vermogen en groei van de economie zijn natuurlijk twee verschillende dingen. Het zou toeval zijn als ze gelijk zouden zijn. Maar al in de tijd van de agrarische samenlevingen, toen de groei dicht bij 0 lag, was het rendement op vermogen, landpacht vooral, ongeveer 4 tot 5 procent. Dat zie je in elke statistische bron, maar ook in romans van Austen of De Balzac. En groei wordt bepaald door hoeveel kinderen we maken en hoezeer de productiviteit door bijvoorbeeld uitvindingen toeneemt.”

Waar houdt het op?

„Dat weet niemand. De concentratie van rijkdom kan zeker nog een stuk onevenwichtiger dan nu. De toename zal stabiliseren, denk ik, op een angstaanjagend extreem niveau. Ongelijkheid is niet intrinsiek verkeerd, het gaat om de mate. Als ongelijkheid nutteloos en excessief wordt, gaat het mis. Een van de lessen van de twintigste eeuw is juist dat je hoge groei kunt hebben zonder de ongelijkheid van de negentiende eeuw.”

Democratische revoluties, zoals de Franse, leidden dus niet tot een betere verdeling?

„De moderne industriële groei van 1 tot 2 procent is niet genoeg om de trend te keren. Het is interessant om Frankrijk aan het begin van de vorige eeuw te vergelijken met Groot-Brittannië. In Frankrijk praat de elite dan al tientallen jaren over dat republikeinse idee van gelijkheid. Maar de concentratie van rijkdom was in 1910 vrijwel even groot als in Groot-Brittannië. In Frankrijk had de rijkste 1 procent 60 procent van het kapitaal in handen, in Groot-Brittannië 70 procent. Dat toont de republikeinse illusie op zijn best en is een nuttige les voor vandaag.”

Want we zijn terug in 1910?

„In Europa nog niet, maar ik denk dat de Verenigde Staten terug zijn op het niveau van extreme ongelijkheid zoals wij die een eeuw geleden kenden. Alleen is de structuur anders door de extreme groei van topsalarissen. Ons onderwijssysteem in Europa is nu nog wat toegankelijker en onze belastingen zijn rechtvaardiger, maar het is een fragiel evenwicht. Net als in Amerika heeft geld ook hier een belangrijke invloed op de democratie.”

Die hoge salarissen in het bedrijfsleven zijn niet te verantwoorden?

„Amerikaanse bedrijven presteren onderling allemaal verschillend, maar de salarissen van topbestuurders zijn vrijwel altijd hoog. Nergens zie je in de data dat een hoog salaris van een bestuurder tot betere bedrijfsresultaten leidt. Het is veel extremer nu dan in de jaren 50 of 60, terwijl de Amerikaanse economie nu minder groeit dan toen.”

Waar komt dat vandaan?

„De sociale normen tegenover ongelijkheid zijn sindsdien veranderd, vooral in de VS. Ronald Reagan speelde in op de angst dat Duitsland, Frankrijk en Japan harder zouden groeien en dacht dat op te lossen met negentiende-eeuws kapitalisme: minder verzorgingsstaat en minder progressieve belastingen, waardoor het weer zin had om buitensporig veel te verdienen. Zijn analyse klopte niet, want dat Amerika minder snel groeide had niets te maken met de verzorgingsstaat of met die belastingen, maar met het simpele feit dat Duitsland en Frankrijk herstelden van een periode van oorlog.”

Waarom bent u zo pessimistisch over toekomstige groei?

„Ik ben niet pessimistisch, maar de groeiniveaus zoals we die tijdens de Trente Glorieuses (van 1945 tot 1973) hadden, komen niet meer terug. Als we schone energiebronnen vinden, dan kunnen we in de toekomst in een tempo van 1 à 2 procent blijven groeien. Er zijn geen voorbeelden van landen die onder normale omstandigheden sneller groeien dan dat. Op wereldniveau is de economie tussen 1700 en 2012 gemiddeld met zo’n 1,6 procent per jaar gegroeid. De helft daarvan was bevolkingsgroei en de andere helft productiviteitstoename. In veel westerse samenlevingen groeit de bevolking tegenwoordig een stuk minder snel.”

Maar het zijn niet de groeicijfers waar de Franse president op hoopt.

„Het probleem in Europa is dat we door het onderlinge wantrouwen in de EU niet eens die anderhalve procent halen. Al werkt het federale systeem van de VS niet perfect, het werkt voor de groei wel stukken beter dan wat wij hebben. Het is voor afzonderlijke landen nu onmogelijk om de munt te devalueren, maar we hebben ook geen gemeenschappelijke publieke schuld of een gezamenlijk fiscaal stelsel. Als je die zaken niet samenvoegt, dan kun je net zo goed allemaal eigen munten houden. De lage groei beperkt nu de mogelijkheden om in de toekomst te investeren teneinde op termijn ook die ongelijkheid weer aan te pakken.”

Hebben we weer een oorlog nodig om tot meer gelijkheid te komen?

„Er zijn vreedzamer politieke oplossingen mogelijk. Sociale krachten, zoals de Occupy-beweging, zullen rechtvaardiger belastingen en meer internationale financiële transparantie moeten afdwingen om de spiraal van toenemende ongelijkheid te keren.”

U stelt een progressief oplopende belasting voor op vermogens boven het miljoen. Maar u noemt dat zelf „utopisch” in uw boek.

„Wereldwijd zou zo’n belasting een utopie zijn, maar grote landen als de VS of China kunnen zoiets makkelijk doen. In Europa is het lastiger zolang we niet meer politieke eenwording hebben. Een grote zwakte van Europa is de onderlinge concurrentie tussen landen om hoge inkomens aan te trekken en zo steeds minder tot herverdeling van welvaart via progressieve belastingen te komen.”

Met meer progressie gaat geld toch direct naar belastingparadijzen?

„Als de Amerikaanse regering een miljoen soldaten naar Irak kan sturen, dan zou ze niet bang moeten zijn voor de Bahama’s. Ze hoeven geen troepen te sturen, maar met handelssancties of embargo’s kun je kapitaalvlucht naar belastingparadijzen voorkomen. Het is een vergissing om te denken dat de Bahama’s of Jersey sterker zijn dan de VS.”