In het klein zijn Japanse schrijvers op hun best

Sinds het succes van Murakami is de Japanse literatuur hip en hipsterfähig // Maar je maakt pas echt kennis met Japan in deze verhalenbundel met werk van 41 schrijvers // Inclusief veel jong talent

Foto AP

Veel meer dan bij ons is het korte verhaal in Japan een hoofdpijler van de literaire traditie. Toch zijn die korte verhalen buiten de landsgrenzen weinig bekend. Japanse schrijvers die wereldwijd worden gelezen hebben ze allemaal geschreven. Nobelprijswinnaar Yasunari Kawabata muntte zelfs een eigen genre, de ‘handpalmverhalen’, vertellingen die zo kort zijn dat ze op de palm van een hand zouden moeten passen.

Het is, neem ik aan, vooral dankzij de populariteit van Haruki Murakami, die all things Japanese hip en hipsterfähig heeft gemaakt, dat Liefdesdood in Kamara is verschenen: kort werk van 41 Japanse schrijvers, geboren tussen 1862 en 1983. Van kleinere namen koos samensteller en vertaler Luk van Haute verhalen waarmee ze de meeste faam verwierven, bij de grotere vaak een afwijkende, prikkelende keuze. Het resultaat is een staalkaart die opvalt door diversiteit. De clichés over Japan worden ver overstegen.

Van Hautes keuze om deze bundel met Ogai Mori’s ‘In verbouwing’ (1910) te beginnen is verstandig. Het is niet het oudste verhaal, maar het belichaamt een dominant thema: de botsing tussen Oost en West en de worsteling van Japan met de eigen identiteit te midden van een invasie aan culturele invloeden. Het pand dat ‘in verbouwing’ is, is een restaurant waar een Japanse regeringsfunctionaris een ontmoeting heeft met een Duitse vrouw die, naar we vermoeden, ooit zijn geliefde was. Het restaurant, zo leidt Van Haute het in, ‘staat eigenlijk symbool voor de hele moderniserende Japanse maatschappij van die tijd’.

Er zijn weinig samenlevingen die in anderhalve eeuw radicaler zijn veranderd dan de Japanse. Twee eeuwen zelfgekozen afzondering eindigden met de opening van de grenzen in 1853, onder druk van de buitenwereld, waarmee het een gecompliceerde verhouding hield. Japanners gingen dwepen met Europese en later Amerikaanse cultuur; er was de felle tegenreactie van het opkomend nationalisme.

Zo bleef het gaan, na de oorlog, na het studentenverzet in de jaren zeventig en tachtig. Onder de veranderlijke huid schuilen culturele tradities. Het verhaal van Japan gaat daarmee over het creëren van iets heel eigens uit het van elders geleende.

Vooral de Amerikaanse soft power laat zich gelden, soms heel expliciet, zoals in het titelverhaal van Sueko Yoshido, dat gaat over de relatie van een hoer op leeftijd met een Amerikaanse deserteur op het eiland Okinawa. Dit verhaal ‘Liefdesdood in Kamara’ bewijst Van Hautes stelling dat Japanse literatuur ‘zeker geen flauw afkooksel van de westerse [is]. Het is juist door een goed gedoseerde mengeling van de diverse culturele invloeden’.

Wat willekeurig is, heeft óók belang

Een voorbeeld van die eigenheid is de watakushi shosetsu, of ‘ik-roman’, die veel meer is dan een verhaal in de ik-vorm. Een historicus typeerde dit genre ooit aan de hand van het ‘masochistisch genoegen’ in het openbaren van de lelijkste daden en gedachten, maar ook van een fascinatie met de ‘innerlijke significantie van de meest triviale gebaren en uitingen’.

Voorbeelden zijn het latere werk van de korte verhalenmeester Ryunosuke Akutagawa en, vooral, Osamu Dazai, beiden niet toevallig zelfmoordenaars.

Een deel van de verzamelde verhalen valt in dat genre, maar de blik van het boek is breder. Dus krijgen we ook verhalen met sciencefiction (‘De laatste roker’), psychologische horror (‘Konijnen’ van Mieko Kanai), vervreemding (‘Het huis van de Spaanse hond’ van Haruo Sato) en verhalen met elementen uit oude volksvertellingen.

Er zijn verhalen zoals je je een Japans verhaal voorstelt: sferisch, weinig plot, besef van de inherente droefenis der dingen. Maar we krijgen ook het omgekeerde.

Er zitten ware ontdekkingen bij

Enkele favorieten, uit de zeshonderd bladzijden die het boek telt. In sommige gevallen ware ontdekkingen. Ik heb hard gelachen om Yasutaka Tsutsui’s satirische ‘De laatste roker’, waarin het ontmoedigen van roken tot de uiterste consequentie is doorgevoerd. Masahiko Shimida’s ‘Tot ik een mummie word’, een minutieus dagboekverslag van een man die zichzelf doodhongert, wrong mijn hart uit. Tanizaki’s ‘Kinderspel’, een vroeg verhaal waarin thema’s uit zijn oeuvre – erotiek, sadomasochisme, overheersing en onderwerping – allemaal aanwezig zijn, is een waar meesterwerk. En de laatste zin van Soseki’s ‘De derde nacht’ blies me van mijn sokken. Daar staan onvermijdelijk ook verhalen tegenover waar ik niet warm of koud van werd.

Goede vertalingen van Japanse verhalen zijn zeldzaam. Er bestaan een paar vergelijkbare bundelingen in het Engels, waaronder Theodore Goossens uitstekende The Oxford Book of Japanese Short Stories, waarmee Van Hautes collectie de nodige overlap heeft. Maar het nieuwste verhaal in dat boek dateert alweer uit 1992.

Van Haute biedt meer ruimte aan jonge auteurs, en voorziet elke schrijver van een welkome introductie. Liefdesdood in Kamara is niet alleen liefdewerk, het is een noodzakelijk boek. Belangrijker nog: een feest om te lezen.