Het onwaarschijnlijke succes van dirigent Pieter Jan Leusink

In drie weken leidt hij 24 keer Bachs Matthäus. Zonder subsidie, voor volle zalen. Pieter Jan Leusink is koopman in klassiek. „Om te slagen doe ik alles. Ik ga door waar anderen stoppen. Niet iedereen kan en wil zijn zoals ik. En dat is maar goed ook.”

Foto Floren van Olden

In de rustieke woonkeuken snuffelt nieuwsgierig colly Bach III rond. „Kijk”, zegt dirigent Pieter Jan Leusink trots – en toont een glanzende portretfoto van de hond in sprong, hijzelf met gespreide handen in keepershandschoenen erachter. „Het interview waarvoor deze foto werd gemaakt ging over dromen. Als kind was mijn droom profvoetballer te worden. Het beste uit jezelf halen. En altijd winnen.”

Over dromen kan dirigent Leusink – grijs vlashaar, zwart T-shirt met bretels – lang praten. Koffie erbij, sigaartje. Niet omdat hij nou zoveel slaapt. Vroeger was het vier uur per nacht. Sinds hij vorig jaar werd getroffen door de ziekte van Still – een vorm van reuma – is het wat meer.

Met zijn gezondheid gaat het nu weer beter. Maar ook vorig jaar liet hij, zijn ziekte ten spijt, bij niet één van de in die tijd geplande Matthäussen verstek gaan. „Ik krijg energie van doorwerken”, zegt hij. „En ik ben ervan overtuigd dat je eigen onverzettelijkheid een doorslaggevende rol kan spelen in hoe je je voelt. Maar voor de zekerheid zat bij de eerste Matthäus wel de huisarts in de zaal, hahaha.

„Mijn dromen zijn geen luchtkastelen. Ik visualiseer wat ik wil bereiken. In kleine stappen. En dan komen die dromen eigenlijk altijd uit.”

De André Rieu van de Matthäus

Onder liefhebbers wordt over Leusink soms badinerend gedaan. Hij is „de André Rieu van de Matthäus Passion” en de „kiloknaller” van het Classic FM-repertoire, waar hij de rest van het seizoen lange concertreeksen aan wijdt. Een goed dirigent? „Technisch ben ik geen meester”, zegt hij zelf. Wie Händels Messiah of het Requiem van Mozart graag hoort met een flinke bezetting, is beter af bij een gesubsidieerde instelling. Maar als je hem met zijn authentieke orkest en zangers aan het werk ziet, merk je ook: Leusink weet wat hij wil en kan dat communiceren. Grote contrasten in tempo en dynamiek. Spanning. Een volle zaal onwennig publiek meetrekken in het lijdensverhaal. Als dat ten koste gaat van de finesse, dan is dat zo. Als er recensenten komen, oordelen die overigens vaak vrij positief. „Feestelijk vocaal vuurwerk”, noteerde deze krant in december over Leusinks Messiah. En over de Matthäus: „Op een ander muzikaal plan dan Gustav Leonhardt en Nikolaus Harnoncourt, maar de vocale scherpte en de alertheid imponeren.”

De spot wortelt dus deels in onwennigheid. Klassieke muziek zonder subsidie, kan dat dan? Leusinks businessmodel beantwoordt die vraag positief, maar met een krappe marge. Grote ensembles en (dure) topsolisten zal je bij hem niet vinden. De btw-verhoging op concertkaartjes moest worden gepareerd met het organiseren van meer concerten. Zijn dagbladadvertenties (paginagroot, frequent geplaatst en conservatief van opmaak) moeten aan bestellingen 1,5 keer de kosten opbrengen (ca. 300 bestelde kaartjes), anders wordt de deal heroverwogen. Via Groupon worden de laatste, wat mindere plaatsen verkocht. Echte winst maakt Leusink met de verkoop van cd’s (liveopnames van zijn concerten) en feelgood-dvd’s waarin zijn vaste zangers ‘hits’ als O sole mio, de Habanera of Nella Fantasia zingen op locatie: in luchtige jurken op paradijselijke Toscaanse heuvels of (Kerstrepertoire) op uniseks sneeuwlaarsjes in Lapland. Ook daar geldt: Leusink vond zijn eigen markt en weet die te benutten. „Niet op een aankoop gerekend?”, meldt een flyer in zijn hoogglanzende programmaboeken; vul de bon in en neem de gesigneerde cd mee naar huis. De factuur wordt nagezonden.

Stoere jongens

Pieter Jan Leusink (1958) werd geboren en groeide op in het vestingstadje waar hij nog steeds woont en kantoor houdt: Elburg aan het Veluwemeer. Zijn vader was „een strenge ouderling, zo’n geval als uit Jan Siebelinks roman Knielen op een bed violen”. Leusink – nog wel gelovend in ‘iets’ maar niet meer praktiserend – studeerde orgel, ging lesgeven en richtte in 1984 het Stadsknapenkoor Elburg op. „Geen zoete engeltjes die zingen over lenteklokjes maar stoere jongens die net zo fanatiek zingen als voetballen. Die combinatie past bij me.”

Toen hij ontdekte dat op die manier geen brood te verdienen viel in de muziek, besloot Leusink zijn jongenskoor te professionaliseren, later voegde hij er het (volwassen) Bach Orchestra en Bach Choir aan toe. „De Britse koordirigent David Willcocks en mijn ex-vrouw Christine zeiden tegen me: je hebt goud in je handen, waarom haal je niet meer uit jezelf? Het probleem van een reformatorische jeugd is dat die alle initiatief uit je stampt, en de christelijke normen en waarden erin. Om dat te herstellen ben ik trainingen gaan volgen, waarbij alles wat je dacht te vinden wordt bevraagd. Je blijft ontredderd achter, begint opnieuw en wordt iemand die lak heeft aan wat anderen van hem vinden. Soms sla ik daarin misschien wel door. Maar ik denk ook: pas als er niemand meer naar me komt luisteren, heb ik ongelijk. En om te slagen doe ik alles. Ik zeg ja waar anderen nee zeggen. Ga door waar anderen stoppen. Niet iedereen kan en wil zijn als ik. Dat is maar goed ook. Anders had ik geen werk. Al voelt het niet als mijn werk. Het is mijn leven.”

Met zijn Holland Boys Choir nam Leusink voor het Bachjaar 2000 alle cantates van Bach op voor het label Brilliant Classics. „Toen ze me dat vroegen leek het onmogelijk, maar gaandeweg merkte ik: het kan wél. Omdat je zo intensief met elkaar werkt aan muziek van één componist dat je als het ware woont in diens idioom.” Het project, waarvan 6 miljoen cd’s werden verkocht, maakte Leusink bekend; miljonair was hij al door de verkoop van het cd-bedrijf dat hij naast het dirigeren had opgezet. Anders dan Leusink en de cd-maatschappij verdienden de jongens van het koor niet aan de Bach-cd’s: hun inspanningen gelden als hobbyisme in verenigingsverband. Leusink: „Maar is dat fout? Jongens mogen toch ook vijf keer per week voetballen als ze dat leuk vinden?”

Drie jaar geleden is hij met het jongenskoor gestopt. „Ik heb 700 kinderen muzikaal opgeleid, maar aan het einde ging het me steeds meer energie kosten. Steeds meer moeders gingen werken, jongens moesten repetities overslaan, waren moe omdat ze niet konden uitslapen. Het niveau stond onder druk, dat verdroeg ik niet.” Een ander argument: met één jongenskoor kun je geen 24 Matthäussen opvoeren in drie weken tijd. Leusink: „Het blijft een soort rouwproces. Het natuurlijke niveaubesef van die jochies mis ik nóg. Als er één een fout maakte, brandden zijn vriendjes hem keihard af – om vijf minuten erna weer gezellig samen film te kijken. Onder professionals is dat soort directheid not done. Maar ik ben zelf liefst net zo.”

Extreem direct

Uit de Grote Kerk van Elburg druppelen langzaam de musici naar buiten. Veel jongeren, veel Oost-Europeanen. Binnen roept Leusink bas Joep van Geffen – hier solist en daarnaast koorlid van het Groot Omroepkoor – en gambist Freek Borstlap naar voren voor de soloaria Komm, süßes Kreuz. „Freek mijn cake van de week, jij bent aan de beurt!” Wat hem niet bevalt, zingt Leusink voor. „Hij is mild vandaag”, vindt stiefdochter en pr-manager Susanne Stoker. „Pieter Jan is een geval apart, hij is extreem direct. Daar moet je tegen kunnen.”

„Je moet goeie mensen hebben”, zegt Leusink zelf schouderophalend. „Ik ga ook elke avond de strijd aan met mezelf, omdat ik recht wil doen aan het genie van Bach. Routine haat ik. Dus loop ik geen drie meter van de afgrond, maar tien centimeter – met de musici achter mij aan m’n hand. Hoe bereiken wij 120.000 mensen per jaar? Niet door niet boeiend te zijn.”

Vanuit dezelfde filosofie repeteert Leusink weinig. „Eindeloos lullen over drie noten, daar kom ik niet voor. Maar ik eis wel volledige beschikbaarheid van mijn musici en heb het liefst ook dat ze voor een lange periode aan ons verbonden blijven. Gevolg is dat mijn ensembles na acht jaar voor 80 procent zo klinken als ik wil. Herinner je je nog die oude bierreclame, ‘vakmanschap is meesterschap’? Daarin zag je een man eindeloos schaven aan een stuk hout. Zo wil ik muziek maken.”

Leusinks succes steunt op vier pijlers: zijn eigen rusteloosheid, muzikaliteit, zakelijk instinct en de 24-uursmentaliteit van zijn team, dat voor het overgrote deel is samengesteld uit zijn (al dan niet aangetrouwde) kinderen. In het kantoor werken schoonzoon en stiefdochter aan de marketing. In het magazijn – een bijgebouwtje buiten – inventariseert een andere schoonzoon het nieuwe foldermateriaal en de kaarten, die al klaarliggen voor concerten tot en met 2015. Een nieuwe medewerker webbeheer toont de bestelsite: wie googlet op ‘Matthäus Passion’, krijgt Leusink bovenaan.

De organisatie staat meer dan vroeger op scherp, vertellen zijn medewerkers. Financiële reserves zijn gesmolten na een recente echtscheiding. „Voor mijn medewerkers voel ik een grote verantwoordelijkheid, maar persoonlijk interesseert veel geld me niet”, zegt Leusink. „Ik wil prettig wonen, goed eten en lekker werken voor volle zalen. Verder hoef ik niks.”

Op vakantie is hij nooit geweest; een reisje naar Mallorca komende zomer wordt de eerste keer. „Maar het lijkt me verschrikkelijk. Ik heb geëist dat de laptop meegaat en dat ik weg kan als het echt niet gaat.”

Vanuit de kantoorruimte plingt af en toe de mailbox van de verkoopmedewerker. De zaalbezetting van de 24 Matthäussen lijkt dit jaar net als vorig jaar op te lopen tot 98 procent, met hoge inkomsten uit de verkoop van dvd’s en cd’s in de slipstream.

Dus, zo berekenen zijn medewerkers, over een paar jaar is Leusink waarschijnlijk toch weer miljonair.

    • Mischa Spel