Iets eigens uit het elders geleende

Vooral Murakami heeft alles wat Japan is hip en hipsterfähig gemaakt. Vandaar ook een net verschenen, rijke verhalenbundel, een staalkaart van diversiteit, die de clichés over dat land ver overstijgt.

Picknick in Tokyo
Picknick in Tokyo Foto Paul Brown/ Corbis

Veel meer dan in ons eigen taalgebied is het korte verhaal in Japan een hoofdpijler van de literaire traditie. Toch zijn die korte verhalen buiten de landsgrenzen weinig bekend. Japanse schrijvers die wereldwijd gelezen worden – Nobelprijswinnaars Yasunari Kawabata en Kenzaburo Oe, grootheden als Junichiro Tanizaki en Yukio Mishima, en vooral: modernere auteurs als Banana Yoshimoto en Haruki Murakami – worden dat om hun romans. Toch hebben ze allemaal korte verhalen geschreven. Kawabata muntte zelfs een eigen genre, de ‘handpalmverhalen’, vertellingen die zo kort zijn dat ze op de palm van een hand zouden moeten passen.

Het is, neem ik aan, vooral dankzij de populariteit van Murakami, die all things Japanese hip en hipsterfähig heeft gemaakt, dat Atlas Contact het aandurfde vertaler Luk van Haute een gedroomd project te laten ondernemen. In Liefdesdood in Kamara brengt Van Haute kort werk van 41 Japanse schrijvers bijeen, geboren tussen 1862 en 1983. Van kleinere namen koos hij verhalen waarmee ze de meeste faam verwierven, bij de grotere vaak een afwijkende, prikkelende keuze, waarbij eigen smaak leidend was. Het resultaat is een staalkaart die, naast uitstekende vertalingen, opvalt door diversiteit. De clichés over Japan worden ver overstegen.

Van Haute’s keuze om deze bundel met Ogai Mori’s ‘In verbouwing’ (1910) te beginnen is prudent. Het is niet het oudste verhaal – dat is Kyoka Izumi’s ‘De operatiekamer’ uit 1895 –, maar het belichaamt een dominant thema: de botsing tussen Oost en West, en de worsteling van Japan met de eigen identiteit te midden van een invasie aan culturele invloeden. Het pand dat ‘in verbouwing’ is, is een restaurant waar een Japanse regeringsfunctionaris een ontmoeting heeft met een Duitse vrouw die, naar we vermoeden, ooit zijn geliefde was. Het restaurant, zo schrijft Van Haute in zijn inleiding, ‘staat eigenlijk symbool voor de hele moderniserende Japanse maatschappij van die tijd’.

Spook

Er zijn weinig samenlevingen die in anderhalve eeuw radicaler zijn veranderd dan de Japanse. Nadat het land, na twee eeuwen zelfgekozen afzondering, in 1853 onder druk de grenzen opende voor de buitenwereld, ontwikkelde het een gecompliceerde verhouding met die buitenwereld. Er werd met Europese en later Amerikaanse cultuur gedweept; er was de felle tegenreactie van het opkomend nationalisme. Er werden diverse oorlogen gevoerd. Met de Russisch-Japanse Oorlog (1904-1905) versloeg voor het eerst een niet-blank volk een blank volk. En natuurlijk, de Tweede Wereldoorlog, waarin Japan een rijk veroverde alvorens bijna al haar steden tot puin werden gereduceerd, in twee gevallen door kernwapens.

Na de oorlog stond Japan lange tijd onder curatele van de Amerikaanse bezetter, die een nieuwe Grondwet dicteerde en de goddelijke positie van de Keizer fundamenteel erodeerde. Fast forward naar de jaren zeventig en tachtig, perioden van (vaak gewelddadig) studentenverzet, en het ontbolsteren van de tweede economie ter wereld. Daarna: de sarin-aanslag op de metro van Tokio, een lange economische malaise, een immense staatsschuld, een krimpende bevolking, de tsunami van 2011, en het nog altijd rondwarende spook van nucleaire destructie in Fukushima. Tegelijk, onder de veranderlijke huid, schuilen zeer resistente culturele tradities, deels geworteld in eerdere Chinese invloeden. Het verhaal van Japan gaat daarmee over het creëren van iets heel eigens uit het van elders geleende.

In zijn nawoord schrijft Van Haute ‘dat de innerlijke strijd tussen trouw blijven aan de eigen culturele wortels en de fascinatie voor het Westen (en de daaruit voortvloeiende zoektocht naar een eigen identiteit) de hele twintigste eeuw aan de gang zou blijven. Tijdens de opeenvolgende historische fasen zou die strijd weliswaar andere klemtonen en nuances kennen, maar in essentie bleef de inzet dezelfde’.

Hoer

Vooral de Amerikaanse soft power laat zich gelden, soms heel expliciet, zoals in het titelverhaal van Sueko Yoshido, dat gaat over de relatie van een hoer op leeftijd met een Amerikaanse deserteur op het eiland Okinawa. ‘Liefdesdood in Kamara’ bewijst Van Haute’s stelling dat Japanse literatuur ‘zeker geen flauw afkooksel van de westerse [is]. Het is juist door een goed gedoseerde mengeling van de diverse culturele invloeden dat iets heel eigens ontstond bij de echte talenten’.

Een voorbeeld van die eigenheid is de watakushi shosetsu, of ‘ik-roman’, die veel meer is dan een verhaal in de ik-vorm. Historicus en schrijver Donald Keene typeerde dit genre ooit aan de hand van het ‘masochistisch genoegen’ in het openbaren van de lelijkste daden en gedachten, maar ook van een fascinatie met de ‘innerlijke significantie van de meest triviale gebaren en uitingen’. Voorbeelden zijn het latere werk van de korte verhalenmeester Ryunosuke Akutagawa en, vooral, Osamu Dazai, beiden niet toevallig zelfmoordenaars.

Een deel van de verzamelde verhalen valt in het genre ‘ik-roman’, maar Van Hautes blik is breed. Dus krijgen we ook verhalen met science fiction (‘De laatste roker’), psychologische horror (‘Konijnen’ van Mieko Kanai), vervreemding (‘Het huis van de Spaanse hond’ van Haruo Sato) en verhalen met elementen uit oude volksvertellingen. Er zijn verhalen zoals je je een Japans verhaal voorstelt: sferisch, weinig plot, besef van mono no aware, de inherente droefenis der dingen. Maar we krijgen ook het omgekeerde.

Dit is niet de plek om elk verhaal te behandelen, maar ik wil enkele favorieten uitlichten, in sommige gevallen ware ontdekkingen. Ik heb hard gelachen om Yasutaka Tsutsui’s satirische ‘De laatste roker’, waarin het ontmoedigen van roken tot de uiterste consequentie is doorgevoerd. Masahiko Shimida’s ‘Tot ik een mummie word’, een minutieus dagboekverslag van een man die zichzelf doodhongert, wrong mijn hart uit. Tanizaki’s ‘Kinderspel’, een vroeg verhaal waarin thema’s uit zijn oeuvre – erotiek, sadomasochisme, overheersing en onderwerping – allemaal aanwezig zijn, is een waar meesterwerk. En de laatste zin van Soseki’s ‘De derde nacht’ blies me van mijn sokken. Onvermijdelijk staan daar enkele verhalen tegenover, waar ik niet warm of koud van werd.

Goede vertalingen van Japanse verhalen zijn zeldzaam. Er bestaan een paar vergelijkbare bundelingen in het Engels, waaronder Theodore Goossens uitstekende The Oxford Book of Japanese Short Stories, waarmee Van Haute’s collectie noodzakelijkerwijs de nodige overlap heeft. Maar het nieuwste verhaal in dat boek dateert alweer uit 1992. Van Haute biedt meer ruimte aan jonge auteurs, en voorziet elke schrijver van een welkome introductie.

Liefdesdood in Kamara is niet alleen labour of love, het is een noodzakelijk boek. Belangrijker nog: een feest om te lezen.