Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.

Fusie musea volkenkunde vermijdt pijnlijke keuzes

Rijksmuseum Volkenkunde, het Tropenmuseum en het Afrika Museum vormen vanaf nu het Nationaal Museum van Wereldculturen. Maar de drie locaties blijven open, met de oude naambordjes op de gevels.

‘Het Nationaal Museum van Wereldculturen wordt geen supermarkt met drie filialen”, zegt Stijn Schoonderwoerd. „Je moet het zo zien: de drie locaties vormen samen het palet van één museum.” Schoonderwoerd was eerst directeur van Rijksmuseum Volkenkunde in Leiden. Vanaf vandaag is hij de directeur van het Nationaal Museum van Wereldculturen, een fusie van zijn museum met het Tropenmuseum in Amsterdam en het Afrika Museum in Berg en Dal. De fusie is vandaag officieel bekendgemaakt in Leiden, in aanwezigheid van minister Jet Bussemaker (PvdA, Cultuur).

De volkenkundige musea werkten al jaren nauw samen. In dat verband werd al wel gesproken over een mogelijke fusie. Die gesprekken kwamen in een stroomversnelling doordat het Tropenmuseum in zijn voortbestaan werd bedreigd. Fusie werd een noodzaak. Het ministerie van Buitenlandse Zaken, de subsidiegever, vond het Tropenmuseum niet meer tot zijn kerntaken behoren. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dat de andere twee volkenkundige musea subsidieert, wilde het Tropenmuseum alleen opnemen als de drie fuseren.

„Voor het Tropenmuseum is nu een financiële overgangsregeling getroffen, maar in 2016 moeten we als fusiemuseum op examen”, zegt Schoonderwoerd. „Dan wordt onze eerste gezamenlijke subsidieaanvraag beoordeeld.”

Het Wereldmuseum in Rotterdam doet niet mee aan de fusie. Het Rijk kon dat niet eisen, omdat het een gemeentelijk museum is. Museumdirecteur Stanley Bremer vaart bovendien een koers die indruist tegen die van de andere musea. In 2011 stapte hij uit het samenwerkingsverband van de volkenkundige musea. In een interview met deze krant zei hij: „Ik voelde me er al heel lang niet thuis. Als je naar een voetbalclub gaat en je er na een jaar nog niet thuis voelt, dan ga je eraf.”

Bezoekers zullen voorlopig niet veel merken van de fusie. De drie locaties blijven open en houden hun eigen sfeer en thematiek. Ook blijven de drie musea hun eigen naam gebruiken. „Die willen we niet kwijt, want ze zijn in Nederland uitgegroeid tot sterke merken”, zegt Schoonderwoerd. „Internationaal is het wel handig om één naam te voeren die de hele lading dekt.”

De drie musea trekken samen jaarlijks ruim 350.000 bezoekers. „We horen bij de toptien van het Nederlandse museumbestel”, zegt Schoonderwoerd. „De ambitie is nog verder te groeien, door slimme samenwerking, bijvoorbeeld bij de marketing.”

Quai Branly

Waarom de drie musea niet ergens onder één dak samengevoegd, zodat er een museum zou ontstaan dat zich kan meten met Musée du Quai Branly in Parijs? „Wij geloven dat het veel effectiever is om drie succesvolle locaties open te houden dan te speculeren op meer succes op één enkele locatie”, zegt Schoonderwoerd. „We bestrijken drie uiteenlopende regio’s en daarmee bereiken we een ander en breder publiek dan als we maar één enkele locatie zouden hebben. Zo’n locatie speelt bovendien een belangrijke rol in de lokale culturele infrastructuur, bijvoorbeeld in educatief opzicht.”

Het Afrika Museum bijvoorbeeld trekt een heel eigen publiek: scholen uit het oosten van het land en bezoekers uit het Duitse achterland. Deze locatie houdt een titulair directeur. Irene Hübner blijft het gezicht van het Afrika Museum. Niet alleen vanwege de afstand – het museum ligt in de buurt van Nijmegen – maar vooral omdat zij ingeburgerd is in de omgeving. Hübner: „Het is handig als hier iemand blijft zitten die goede contacten heeft bij provincie en gemeente.” Zij hoopt dat de fusie ertoe zal leiden dat bezoekers uit Amsterdam en Leiden ook nieuwsgierig worden naar de vestiging in Berg en Dal.

Om de aantrekkingskracht van de drie musea te vergroten moeten ze scherpere profielen krijgen. Het Afrika Museum heeft al een sterke specialisatie, met etnografica en traditionele en hedendaagse kunst uit Afrika en de Afrikaanse diaspora. Het Tropenmuseum en Rijksmuseum Volkenkunde gaan zich meer van elkaar onderscheiden. „In Leiden hadden wij vorig jaar een tentoonstelling over de hadj, de jaarlijkse pelgrimstocht van moslims naar Mekka”, vertelt Schoonderwoerd. „Voor het eerst kregen wij grote groepen moslims in ons museum. Daar waren we enorm trots op. Toch zal een tentoonstelling met zo’n actueel onderwerp voortaan eerder in het Tropenmuseum in Amsterdam te zien zijn. Die locatie is sterk in tentoonstellingen over hedendaagse wereldcultuur en gaat zich daar nog meer op toeleggen.”

Leiden zal vooral de iconen van het werelderfgoed laten zien, zoals het nu ook al regelmatig met succes doet. Schoonderwoerd: „Denk aan Boeddha, de terracottakrijgers uit China en de totempaal van de indianen.”

Daarnaast komen er gezamenlijke kleinere tentoonstellingen die langs de verschillende locaties gaan reizen. Schoonderwoerd: „We hebben samen een van de grootste collecties van Nederland: bijna 400.000 voorwerpen en 1 miljoen foto’s. Die willen we zoveel mogelijk delen met het publiek. Op onze drie locaties kunnen we samen meer objecten laten zien dan het Rijksmuseum.”

Een gezamenlijk depot komt er voorlopig niet. Hübner: „Dat zouden we best willen, maar dat zou ook kostbaar zijn en het is nu juist de bedoeling om kosten te besparen. De mobiliteit van de collectie wordt wel groter. Het wordt makkelijker om een tentoonstelling samen te stellen met objecten uit de verschillende collecties. We hoeven geen tijdrovende bruikleenprocedures meer te doorlopen en we weten straks ook beter wat aanwezig is en wat is uitgeleend. Dat maakt de planning van tentoonstellingen makkelijker. Een mooie bijkomstigheid is ook dat collecties die in de loop der jaren uiteenvielen doordat musea objecten ruilden, nu weer worden samengevoegd.”

Koloniale grandeur

Al met al is het een fusie waarbij de drie musea pijnlijke keuzes zoveel mogelijk hebben vermeden. Voor de medewerkers van het Tropenmuseum verandert nog het meeste. Dit maakt nu geen onderdeel meer uit van het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT), dat doorgaat als zelfstandig instituut gericht op advies, onderzoek en opleidingen voor ontwikkelingslanden en op trainingen voor werken in andere culturen.

Het Tropenmuseum blijft wel in het gebouw van het KIT gehuisvest. „Het prachtige gebouw en het museum horen bij elkaar”, zegt Derk Vermeer, interim-directeur van het KIT. „Wij worden dus huisbaas van het museum en goede buren.”

„Dat het Tropenmuseum op dezelfde plek blijft, is een bewuste keuze”, zegt Schoonderwoerd. „De grandeur van dit gebouw met zijn koloniale verleden maakt voor bezoekers deel uit van de beleving.”

Rijksmuseum Volkenkunde en het Afrika Museum hebben net verbouwingen achter de rug. Ook in het Tropenmuseum staat een renovatie gepland. De eerste stap is het herinrichten van de tentoonstellingsruimte op de begane grond. De gemeente Amsterdam draagt 250.000 euro bij.

Maar Schoonderwoerd heeft grotere ambities. „Het aantal vierkante meters tentoonstellingsruimte is op zichzelf in orde, maar het gebouw zelf moet ook weer een must-see worden. Het Tropenmuseum begon hier in 1926 als Koloniaal Handelsmuseum. Het is een van de mooiste museumgebouwen van Nederland. Het pronkstuk is de Lichthal. Maar die lichtkoepel is afgedekt, om lichtgevoelige objecten te beschermen. En er is van alles in opgehangen. We kijken of we die koepel weer open kan. Daarnaast wil ik graag iets doen aan de entree en aan het voorplein. Die kunnen zoveel beter.” Maar eerst moet er geld bijeen worden gebracht. De verbouwing kost tussen de 18 en 30 miljoen euro, afhankelijk van de variant die wordt gekozen.

Bij het Tropenmuseum verdwenen afgelopen jaar 23 van de 52 banen. Ook bij de andere musea is gereorganiseerd. De fusie kan worden voltrokken zonder nieuwe ontslagen. Wel zullen sommige medewerkers een andere werkplek krijgen, want ondersteunende diensten, zoals marketing en administratie worden samengevoegd in Leiden. Ook worden alle conservatoren uit Amsterdam overgeplaatst naar Leiden. Schoonderwoerd: „Tot nu toe is er nauwelijks kinnesinne geweest. Het zijn allemaal gelijkgestemden met een passie voor dezelfde vakgebieden.”

Op alle locaties komen flexwerkplekken. Vermeer: „Het nieuwe werken zal zijn entree maken. Dat zal een hoop dynamiek geven. Maar de sfeer is goed, iedereen is blij dat de reorganisatie achter de rug is en dat er een nieuwe fase aanbreekt met een heldere focus. Toch doet het ook een beetje pijn het Tropenmuseum na honderd jaar los te koppelen van het KIT.”

Ook Hübner is optimistisch: „Natuurlijk zijn er in het begin van het fusieproces wel eens harde noten gekraakt, want je staat voor je eigen organisatie. Maar ik ben blij met de uitkomst. We worden een soort Tate voor de volkenkunde, een topmuseum met verschillende locaties.”