Zijn er nog mensen in het ziekenhuis?

Huisarts in ruste Kees van Bezooijen kwam als patiënt in een ziekenhuis en schrok. Hij schrijft een brief aan minister Schippers, die reageert.

Kees van Bezooijen, huisarts in ruste
Kees van Bezooijen, huisarts in ruste Foto Merlin Daleman

Het is nu ruim een maand geleden dat ik na een behandeling voor een ernstige longontsteking mijn ziekenhuis kon verlaten. Ik zeg mijn ziekenhuis, omdat ik me er na meerdere opnames geborgen, gedragen en goed behandeld voel. Daar maak ik mij geen zorgen over. Waar ik me wel zorgen over maak: iedereen die die zorg levert. Mijn dokters, verpleegkundigen en paramedici.

Wanneer ik met ze praat, wanneer ik ze aan het werk zie en ook vanuit wat ik persoonlijk ervaar, constateer ik dat er steeds minder tijd en aandacht is voor het een-op-eencontact tussen mij en mijn zorgverleners. Een contact dat wordt gekenmerkt door tijd, wederzijds respect en betrokkenheid, echt luisteren, meevoelen en meedenken met elkaar.

En wat me verontrust is dat ik de bevlogenheid, de motivatie en de arbeidsvreugde langzaam zie eroderen.

De administratieve last waar zorgverleners nu mee te maken hebben, is enorm. Natuurlijk zijn er goede dingen aan het registreren van gegevens, zolang dat tot een zinnige verzameling van data leidt. Tot betere zorg voor ons, de zieken die loyaal en om niet de data leveren. En tot een toegankelijke, betaalbare en veilige zorg.

Maar het slaat nu wel erg door. En hoe meer er geadministreerd moet worden, des te minder tijd er is voor wezenlijk contact met patiënten. Maar ook voor innovatief onderzoek en klinische studies.

Wat ik ervaar is dat in de vertrouwde omgeving van de spreekkamer en op de rand van mijn bed iets wezenlijks verloren gaat.

De angsten en de twijfel

Jarenlang heb ik de eer gehad huisarts en huisartsopleider te mogen zijn. Een van de kostbaarste ervaringen die ik mocht doorgeven was het advies niet alleen te luisteren naar het verhaal van de patiënt, maar vooral ook te letten op en mee te voelen met zijn of haar lichaamstaal. Omdat daarin vaak de sleutel ligt van wat hem of haar echt bezighoudt. De wezenlijke vragen, verwachtingen en wensen, de angsten en twijfels, het verdriet en de vreugde.

Met de introductie van prominent aanwezige beeldschermen en de focus daarop voel ik het belangrijkste van ons contact door onze vingers glijden en het zicht op ons, de zieken, verdwijnen. Ik merk dat dit noch door mij noch door mijn zorgverleners gewenst wordt. Het doet tekort aan het vertrouwen in elkaar. Het demotiveert en holt de arbeidsvreugde uit.

Dat allesdoor een op hol geslagen digitalisering van de gezondheidszorg. Niet alleen in de spreekkamer en het kantoor van verpleegkundigen, maar bovenal op de bureaus van beleidsmakers, bestuurders, managers, verzekeraars en toezichthouders, waar de digitale perceptie het zicht op onze dagelijkse werkelijkheid vertroebelt. Waar de echte ervaring van zorgvragers en zorgverleners, die zoals het heet ‘met hun poten in de modder staan’, niet meer wordt herkend en erkend.

Ik vind het intens verdrietig als ik verpleegkundigen hoor zeggen dat zij mijn ziekenhuis ervaren als ‘een fabriek’ en zichzelf als deelnemers aan ‘een productieproces’. Verpleegkundigen die ooit vol verwachtingen en idealen begonnen aan hun mooie vak. En die er nu over denken om te zien naar ander, voor hen zinvoller werk.

Ik vrees dat deze situatie zich niet alleen beperkt tot mijn vertrouwde ziekenhuis en de gehele intramurale setting. Maar dat dit evenzeer speelt bij mijn vakbroeders, de huisartsen. Bij onze verpleegkundigen en verzorgenden in de thuiszorg. Onze apothekers en paramedici.

Als dit alles, in al zijn mogelijke nuances en variaties, herkend en erkend wordt door alle partijen in de gezondheidszorg, dan zullen wij er gezamenlijk wat aan moeten doen. Dit kan en mag niet zo doorgaan.

Laten we ten eerste het kostbaarste wat we hebben, de een-op-een relatie van zorgvrager en zorgverlener, behouden en behoeden. Alleen daarbinnen kan optimale zorg worden gerealiseerd. Op basis van vertrouwen, medemenselijkheid, professionele deskundigheid en de reële wensen en verwachtingen van patiënten, kan worden bepaald wat de opties zijn van behandeling en zorg: genezing, er mee leren leven of menswaardig sterven.

Laten we, ten tweede, de oneigenlijke en demotiverende bemoeienis daarmee een halt toeroepen. Zoals dwingende protocollen, af te vinken lijstjes, regelgeving en maatregelen van bovenaf. Allemaal dingen die de professionaliteit ondermijnen en die de zorg onmogelijk maken.

Laten we daarnaast met onze beroeps- en belangenorganisaties onze maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen, als het gaat om de betaalbaarheid van en de grenzen aan de zorg. Samen met beleidsmakers, bestuurders, managers, verzekeraars en toezichthouders.

En laten we ten slotte ophouden met de gezondheidszorg te economiseren en te politiseren; met elkaar te wantrouwen en eindeloos te controleren; met het eenzijdig opleggen van contracten binnen de marktwerking; en met het accent alleen maar te leggen op de kosten, terwijl de baten aan maatschappelijke en individuele winst vele malen groter zullen zijn.

Er wezenlijk zijn is belangrijk

Een ervaring zoals ik denk dat het hoort: Het is april 2013. Ik ben opgenomen voor een virus pneumonie als gevolg van mijn lage weerstand. Ik zit op de rand van mijn bed, ben uitgeput en verdrietig omdat er geen verbetering is.

Een jonge verpleegkundige komt binnen voor een routinecontrole. Dan houd ik het niet meer. Ik fluister: „Ik zie het niet meer zitten” en barst in huilen uit. Het is een paar minuten doodstil. Dan een klein stemmetje: „Ik weet niet wat ik moet zeggen.”

Ik ben meteen weer mezelf: patiënt, maar ook een klein beetje dokter. Zeg: „Ik heb er ook geen woorden voor. Maar je antwoord is precies het goede. Je bent niet weggelopen, je hebt echt naar me geluisterd en je bent er.”

Uiteindelijk zou eenieder die in de gezondheidszorg werkzaam is zich dienstbaar moeten opstellen voor een medemens die om hulp vraagt en recht heeft op kwalitatief optimale zorg.

Uiteindelijk is het bestaansrecht van een arts het werkelijke helpen van patiënten en mensen met een handicap.

Uiteindelijk gaat het om ons.