Weg met de mythes van de economische wetenschap!

Een niet-econoom die een bestseller schreef over onze economie. Jeroen Hopster sprak met de auteur en tevens hoogleraar literatuurwetenschap Joseph Vogel.

Een literatuurwetenschapper die de economische wetenschap fileert. Joseph Vogl (1957), hoogleraar aan de Berlijnse Humboldt Universität, schreef Het spook van het kapitaal. Beslist niet het gemakkelijkste boek; toch verkocht het in eigen land al 50.000 exemplaren. „Het succes heeft me volkomen verbaasd,” vertelt Vogl in het Ambassade Hotel te Amsterdam, één van de steden die hij aandoet om de Nederlandse vertaling te promoten.

Hoe kan een niet-econoom zoveel succes hebben met een boek over de economische wetenschap? Juist de kijk van buitenaf, denkt Vogl, is wat het publiek aanspreekt. Academische economen neigen zich nogal eens te verliezen in wiskundige modellen, maar de economie heeft ook een historische, sociale en culturele dimensie. Er zijn zelfs raakvlakken met religie.

Zo stelt Vogl dat de economische wetenschap een soort ‘theodicee’ heeft geërfd. Daarmee wordt het geloof in een goedwillende God aangeduid, in weerwil van het kwaad dat in de wereld geschiedt. Een economische theodicee komt kort gezegd hier op neer: nog steeds gaan economische modellen uit van evenwicht en efficiëntie, terwijl de werkelijkheid ons voortdurend crashes, booms en bubbels voorschotelt.

Vogl: „Economen zoeken graag naar scenario’s waarin de ‘weerstand’ van de echte wereld wordt geminimaliseerd. Om hun wiskundige modellen kloppend te maken, moeten zij grote delen van de werkelijkheid wegsnijden. Dat maakt die modellen idealistisch. De hoop dat economen de toekomst kunnen voorspellen, wordt voortdurend tegengesproken door de economische realiteit.”

De oplossing? Vogl pleit voor een pluralistische economie, die minder is geïnspireerd door de natuur- en wiskunde en meer door de mens- en geesteswetenschappen. Vogl: „In de achttiende eeuw namen economen voorbeeld aan Newtons gravitatiewetten, in de negentiende eeuw aan de thermodynamica, in de twintigste eeuw aan de kansrekening. Maar de laatste economische crisis heeft duidelijk gemaakt dat er ‘zwarte zwanen’ zijn, onverwachte gebeurtenissen die zich niet door kansrekening laten vangen. De financiële economie kenmerkt zich juist door ongewisheid. Economen zouden daarom een theorie moeten omarmen, die uitnodigt om op haar eigen grenzen te reflecteren.”

Volgens hoogleraar literatuurwetenschap Joseph Vogl bestaan er vijf economische mythes:

1 Een ‘onzichtbare hand’ bestuurt de economie

Vogl: „Niet een onzichtbare hand, maar technische en sociale infrastructuren sturen de economie. Een economie functioneert alleen wanneer instituties zoals een beurs, bank en ondernemingen aanwezig zijn, waar beslissingen worden genomen door mensen van vlees en bloed. De onzichtbare hand is slechts een metafoor die de ideale markt verbeeldt: een markt die zich beweegt rond een stabiel evenwicht. Adam Smith (1723-1790), die de metafoor populariseerde, stelde zich voor dat de markt werkt als een soort natuurwet, die een rechtvaardige sociale orde creëert. Hij dacht dat de markt de capaciteit had om de maatschappij te besturen, beter dan bijvoorbeeld wetgevers dat zouden doen. Dat idee resoneert ook nog in de opvatting van hedendaagse economen, die beweren dat wij moeten ‘luisteren naar de waarheid van de markt’.”

2 Economische modellen imiteren de werkelijkheid

Vogl: „Economisch modellen laten niet echt zien hoe de werkelijkheid functioneert, maar wel hoe de werkelijkheid zou moeten functioneren. Wanneer wij die modellen vervolgens implementeren, gaat de werkelijkheid zich daar ook naar gedragen. Modellen verschaffen dus geen imitatie, maar een ‘pre-imitatie’: ze worden werkelijk, omdat we ze gebruiken. Het probleem van veel modellen is dat zij alleen waarschijnlijkheden kennen: het compleet onverwachte kunnen zij nooit programmeren. Er kunnen altijd onvoorziene momenten optreden dat het misgaat en alles instort.”

3 Financiële markten zijn losgezongen van de ‘reële economie’

Vogl: „Integendeel. Het heeft weinig zin om de financiële economie van de ‘reële economie’ te onderscheiden. In het kapitalisme zijn financiën, productie, sociale en politieke verhoudingen juist nauw verbonden. Die verbinding gaat beide kanten op: moderne financiële markten zijn ontstaan in de jaren zestig, toen industrieën hun kapitaal steeds meer in financiële producten gingen investeren. Omgekeerd is de winstverwachting van financiële markten in toenemende mate de structuur van ondernemingen gaan dicteren: veel hedendaagse ondernemingen gedragen zich in feite als banken. De producerende industrieën en financiële markten beïnvloeden elkaar dus wederzijds.”

4 De Amerikaanse en Europese crisisaanpak onderscheiden zich van elkaar

Vogl: „Amerikanen zetten de geldpers aan om de crisis te bestrijden, terwijl Europeanen bezuinigen, zo luidt de gangbare tegenstelling. Maar er wordt te weinig nadruk gelegd op de overeenkomst tussen de Amerikaanse en Europese benadering. Wat zij gemeen hebben, is de nauwe vervlechting van staatsactoren en private actoren. Kenmerkend voor zowel de politiek van de Federal Reserves in de Verenigde Staten als de Europese politiek, is dat er op beslissende situaties informele verbindingen ontstaan tussen staten, banken en bedrijven. In het tweede weekend van september 2008, toen Lehman Brothers omviel, was daar plotseling een informeel consortium van ministers, bankdirecteuren en vertegenwoordigers van grote internationale concerns, die gezamenlijk economische maatregelen namen. In deze vervlechting van economie en politiek onderscheidt de Amerikaanse aanpak zich nauwelijks van de Europese.”

5 Geld is ontstaan door ruilhandel

Vogl: „Het westerse visioen dat geld is ontstaan door harmonische ruilhandel is pure fictie. Er zijn antropologische en etnologische studies die aantonen dat niet ruilhandel, maar schulden het bestaan van geld hebben ingeluid. Historisch gezien is geld in de eerste plaats een maat van schuld, een relatie tussen crediteur en debiteur.”

Joseph Vogl: Het spook van het kapitaal. Boom Uitgevers Amsterdam (24,50 euro)

    • Jeroen Hopster