Stakingen zijn positief signaal

De vakbonden bereiden zich met stakingen voor op het economisch herstel in Nederland. De afgelopen weken wemelde het van dreigingen zoals bij Tata Steel, én van acties. Inmiddels is er een opmerkelijk lange lijst van bedrijven en sectoren met kortere of langere werkonderbrekingen, prikacties of ouderwetse werkstakingen. In de gezondheidszorg. Onder schoonmakers. Bij bloemenveiling Flora Holland. Bij het beveiligingsbedrijf G4S. Bij sigarettenfabrikant Philip Morris. Bij vrachtafhandelaar Aviapartner wordt inmiddels twee weken gestaakt. Bij Holland Casino voeren vakbonden en werknemers de druk op.

Staken is een recht. Maar een recht waar in Nederland gelukkig weinig gebruik van wordt gemaakt. Zolang de belangen van anderen niet disproportioneel worden geschaad is er ook geen aanleiding om de stakingsvrijheid te beknotten.

Het aantal werkdagen dat door stakingen verloren gaat ligt in Nederland traditioneel bijzonder laag. Dat is te danken aan harmonieuze relaties tussen werkgevers en werknemers. Het sociaal akkoord dat kabinet, werkgevers en de vakbeweging vorig jaar sloten onderstreept het structurele karakter van de samenwerking. Sociaal-economische consensus is een pre voor ons vestigingsklimaat.

De vakbeweging heeft zich de afgelopen decennia opgesteld als een verantwoordelijke pleitbezorger van werknemersbelangen en er is geen aanleiding om nu van een ommezwaai te spreken. Ondanks de berichtenstroom over stakingen en werkonderbrekingen maken de vakbonden geen ontzagwekkende indruk. Het percentage werknemers dat lid is van een bond is gedaald naar 20 procent, een dieptepunt. Op een massademonstratie in Utrecht eind vorig jaar trok de FNV 9.000 demonstranten.

Wel duidelijk is dat de verschillende bonden van de vakcentrale FNV zichzelf zichtbaarder maken. Tégen werkgevers en vóór (potentiële) leden. Zij kiezen een meer activistische koers waarbij concrete opbrengsten, zoals hogere loonstijgingen en een beter sociaal plan, voorop staan. Bonden presenteren looneisen ook als tegenwicht tegen de soms onwerkelijk hoge bonussen en vertrekvergoedingen in de top van het bedrijfsleven.

Herlevend activisme zegt vooral iets over de stand van de economie: krimpende werkgelegenheid, maar ook glorend herstel. Dat herstel effent in theorie de weg naar extra vraag naar arbeid en naar hogere lonen. Maar gezien het ruime reservoir aan beschikbare arbeidskrachten, zoals blijkt uit de historische hoge werkloosheidscijfers, is er geen sprake van een stakingsgolf. Hooguit van een rimpeling die geen bedreiging is voor economisch herstel.